Wereldvreemde politici, groene idealisten en zij die vinden dat ze recht hebben op hun auto.
Naar Brussel ga je niet echt meer voor je plezier. Doorgaand verkeer is er niet langer welkom. Straten en pleinen zijn er van statuut veranderd, soms is de rijrichting veranderd, of het zijn fiets-en wandelstraten geworden. “We willen meer ruimte creëren voor de Brusselaar, meer ruimte voor sport en spel, voor de voetgangers, de fietsers en het openbaar vervoer”, zei Brussels schepen van mobiliteit Bart Dhondt in augustus bij het startschot van het nieuwe circulatieplan in Brussel. “Met dit plan willen we ervoor zorgen dat minder mensen zich verplaatsen met de auto en meer te voet, met de fiets, met het openbaar vervoer om zo een aangenamere stad te creëren.”
Doch, echt aangenamer is het er niet geworden. Mensen komen op straat, paaltjes worden uit de grond gezaagd verkeersborden voor het gemeentehuis gegooid, brandweermannen krijgen klappen. Verkeersfilters – zoals dat heet met een duur woord – worden afgebroken. Wie toch nog voor het groene plan is, wordt bedreigd. De oppositie, MR, PS, PTB poken volgens voorstanders van het plan het geweld op.
Het pad naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Misschien legt het plan wel de wereldvreemdheid van idealistische politici bloot. Schaarbeek, de Vijfhoek, Kuregem, de Maritiemwijk … De ene na de andere wijk kreeg tijdelijke verkeersfilters en eenrichtingsstraten om het circulatieplan te testen. Maar tot een evaluatie van de ‘tests’ – na drie maanden – lijkt het nergens te komen.
In Molenbeek werd na minder dan een maand de testfase al ingetrokken. Enkele dagen later deed Anderlecht hetzelfde. Na een tumultueuze gemeenteraad werd het circulatieplan van Kuregem teruggedraaid. Jette volgde. In Anderlecht woedt ondertussen een kleine burgeroorlog. In Ukkel zou de coalitie vrezen de volgende dominosteen te worden die valt, en in Vorst werd alleen een sterk verwaterd plan goedgekeurd met ambitieuzere fasen in een zeer verre toekomst. Alleen de stad Brussel lijkt voorlopig stand te houden.
Voorstanders van het circulatieplan wijzen naar Gent, Leuven en Mechelen waar het wel lukte en verwijten Brussel “een amateuristische aanpak”. “Mobiliteit is het laatste taboe: mensen lijken als het ware in hun ziel geraakt als je vragen stelt over de manier waarop ze zich verplaatsen”, zegt hoogleraar bestuurskunde Filip De Rynck (UGent) in ‘Het Nieuwsblad. “Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het circulatieplan in sommige delen van Brussel wel erg snel is ingevoerd, waarbij zelfs het politiek draagvlak binnen het gemeentebestuur niet altijd even sterk is. Als de oppositie ook al in het schepencollege zit, wordt het moeilijk.”
Misschien vergeten de studiebureaus en idealisten dat je Brussel niet kan vergelijken met Gent, Leuven en Mechelen. In vergelijking met Brussel zijn de drie anderen dorpen. En misschien is er wel geen politiek draagvlak omdat de betrokken schepenen gewoon geen (democratisch) draagvlak hebben gekregen. In de Belgische democratie is niet altijd zo dat wie de meeste stemmen haalt, aan het roer mag zitten.
Hoogleraar De Rynck vat het mooi samen in een randbemerking (we citeren): "Je hebt luidruchtige groepen die pleiten voor leefstraten en reductie van fijn stof. De groenlinkse bakfietsinwoners: het is natuurlijk een karikatuur, maar ze spreken niet namens de hele straat. Hun opvattingen over mobiliteit komen vanuit een luxueuzere positie, met bijvoorbeeld meer thuiswerk. Je hebt bevolkingsgroepen die door onregelmatige werkuren een auto nodig hebben, en die voelen zich niet gehoord."