Wetenschappers bij CERN hebben eindelijk het “spook” gevangen dat hun deeltjesversneller al jaren lastigvalt.
Helaas voor wie hoopte op een rondzwevende geest met een wit laken, het blijkt een resonantiefrequentie te zijn die zich gedraagt als een onzichtbare saboteur.
Simpel uitgelegd, wanneer bundels materie met bijna de lichtsnelheid door de ring knallen, begint dat spook te zingen. Vergelijk het met een glas cola dat begint te trillen als je de bas van de buren te luid hoort.
Geen bovennatuurlijk fenomeen dus, maar wel eentje dat de boel flink kan verstoren.
Om het beestje in kaart te brengen, moesten de onderzoekers duizenden passages van deeltjesbundels analyseren. Met uiterst gevoelige meetstations bekeken ze hoe de bundels nét een fractie uit koers raakten in zowel horizontale als verticale richting.
Het was een beetje alsof Ghostbusters werden vervangen door Excel-tabellen en grafieken. Een pak saaier maar wel zonder de slijm van Slimer erbij.
En waarom maakt dit allemaal uit? Omdat zo’n “spook” in de machine de stabiliteit van de experimenten kan ondermijnen.
Minder stabiele bundels betekent minder betrouwbare data, en dat kan bij CERN niet. Door dit fenomeen nu te begrijpen, kunnen ze hun versnellers afstellen voor nóg zuiverdere resultaten.
Met andere woorden, geen spoken meer in de kelder, maar wel een veel nettere kosmische speeltuin. Het paranormale blijft dus voorlopig beperkt tot de nachtdienst in de kantine daar.