Het WK voetbal lijkt steeds minder een feest voor de fans en steeds meer een speeltje voor de elite. Gianni Infantino krijgt bakken kritiek over zich heen door de torenhoge ticketprijzen voor het komende WK.
De cijfers liegen er niet om: wereldwijd werden al zo'n 150 miljoen ticketaanvragen ingediend. Maar terwijl de vraag explodeert, botsen supporters massaal op dezelfde muur: de prijzen. Voor veel fans is het WK simpelweg onbetaalbaar geworden.
Het toernooi, dat plaatsvindt in Canada, Mexico en de Verenigde Staten, dreigt zo vooral een evenement te worden voor wie het zich kan permitteren. Droom je van een finaleplek? Dan mag je gerust enkele duizenden euro’s ophoesten.
Zelfs voor een “gewone” groepswedstrijd betaal je stevig. Een ticket om de Rode Duivels aan het werk te zien kost al snel 155 euro, en voor een deftige zitplaats ben je vlot meer dan 400 euro kwijt. Prijzen die een pak hoger liggen dan bij vorige WK's, iets wat fans duidelijk voelen in hun portemonnee.
Infantino verdedigt zijn prijzen
Toch houdt Infantino voet bij stuk en verdedigt hij het prijskaartje zonder verpinken.
“De grootste, en tot op heden de enige, bron van inkomsten voor ons is de Wereldbeker. We verdienen gedurende één maand al het geld dat we in de volgende 47 maanden weer uitgeven, tot we vier jaar later een nieuw WK hebben”, klinkt het bij de grote baas.
Toch nuanceert de Zwitser dat er volgens hem voor elk type supporter opties zijn. Hij wijst erop dat er ook goedkopere tickets beschikbaar zijn, al lijkt dat voor velen een slecht argument te zijn.