Je bent een vriend van mij.
Ze konden elkaar niet uitstaan. Hij rustig, zij lawaaiig. Zij fel, hij grijs. Elk gesprek een strijd, elke blik een uitdaging. Kat en hond, maar op een manier dat je bleef kijken—want ergens, tussen dat gevecht en die irritatie, zat iets dat je niet kon negeren.
Je bent een vriend van mij
Jij bent een vriend van mij
Andere mensen zijn misschien
een beetje slimmer dan wij
een beetje groter, sterker ook
maar we blijven samen tot de dood
Je bent een vriend voor mij
Jij blijft een vriend voor mij
Hoor je hem nu ook zingen, Arno?