Mijn huisje staat in brand piezewiezewis bombom.
Het is zo’n zin die blijft hangen als een oorwurm uit de kindertijd. Onschuldig van klank, lichtvoetig, bijna vrolijk. Maar onder dat speelse rijmpje schuilt paniek: iets wat van jou is, staat in lichterlaaie en je kunt alleen maar zingen. Alsof woorden, ritme en klank het vuur misschien kunnen bezweren. Het is chaos verpakt als kinderliedje, een glimlach op de rand van de vlammen. Maar wat zou de bedoeling van deze vrolijke, vrolijke vrienden zijn?