De auto die blijft uitdeinen.
Vroeger was een auto gewoon een auto. Punt. Een metalen doos op wielen die je van A naar B bracht, zonder al te veel drama. Smal genoeg om nog naast een stoep te parkeren zonder dat je meteen halve straat moest innemen, licht genoeg om niet te voelen alsof je een kleine bunker bestuurde.
Vandaag? Vandaag zijn auto’s uitgegroeid tot rollende woonkamers met aspiraties. Breder, hoger, zwaarder. Alsof elke constructeur in stilte heeft afgesproken: “Laten we nog een paar centimeter bij doen, just because we can.” En zo werd de klassieke gezinswagen stilaan een stadsversie van een terreinwagen.
Het verschil met vroeger is vooral visueel pijnlijk. Waar je ooit drie auto’s naast elkaar in een straat kreeg, ben je nu al blij als er twee elkaar niet raken met de spiegels. Parkeerplaatsen die vroeger “ruim” waren, voelen nu als Tetris op expert-niveau.
En comfort? Dat is het officiële excuus. Airco, veiligheid, schermen, sensoren… Maar ergens onderweg is de auto gewoon blijven groeien, alsof niemand nog durft te zeggen: “Is het misschien genoeg geweest?”
Conclusie: vroeger paste de auto in je leven. Nu moet je leven zich aanpassen aan de auto.