Het vaderschap is zwaar.
Ze zeggen dat kinderen krijgen het mooiste is dat er bestaat. Ze zeggen ook veel dingen die pas klinken als je al met een baby op je arm staat om 03.17 uur, terwijl je probeert te achterhalen waarom “hij toch net sliep”.
Vaderschap is geen romantische montage met zachte muziek op de achtergrond. Het is eerder een voortdurende wissel tussen liefde, schuldgevoel en lichte waanzin. Je leert multitasken op een niveau waar CEO’s alleen maar van kunnen dromen: flesje opwarmen, speelgoed uit een neus peuteren en ondertussen nog proberen te onthouden of je zelf al gegeten hebt.
Slaap wordt een mythisch concept. Vrije tijd een theoretische constructie. En “even rust” betekent meestal dat je drie minuten op het toilet zit terwijl er aan de deur wordt geklopt alsof er een internationale crisis gaande is.
En toch—en dat is het vervelende aan het hele verhaal—zou je het niet willen missen. Niet echt. Want tussen de chaos door zit iets wat nergens anders te vinden is: een klein handje dat je zoekt, een lach zonder agenda, en het besef dat je plots verantwoordelijk bent voor een mensje dat jou op de een of andere manier compleet vertrouwt.
Zwaar dus. Maar vreemd genoeg ook precies zoals het moet zijn.