De spanningen rond de Straat van Hormuz duwen de olieprijzen opnieuw omhoog en dat voelen automobilisten overal ter wereld. Maar terwijl wij in Europa elke stijging genadeloos in onze portemonnee voelen, bestaat er nog altijd een parallel universum waar tanken bijna belachelijk goedkoop is.
In landen als Libië, Iran en Venezuela kost benzine nauwelijks meer dan wat kleingeld. Volgens cijfers van GlobalPetrolPrices betaal je in Libië amper 2 cent per liter. Een volle tank? Goedkoper dan water.
Europa betaalt, de rest lacht
Terwijl Belgische automobilisten richting de 2 euro per liter kruipen, lijkt het elders op de wereld haast een grap. In Iran blijft de prijs rond enkele centen schommelen, in Venezuela iets hoger, maar nog altijd absurd goedkoop in vergelijking met de rest van de wereld.
En dat heeft weinig met de echte marktprijs te maken. In veel van die landen beslist de overheid gewoon mee aan de pomp. Niet de olieprijs, niet de oorlog, niet de schaarste, maar puur een politieke keuze.
In olieproducerende landen wordt brandstof vaak onder de kostprijs verkocht om de bevolking te ondersteunen. In andere landen, zoals in Europa, spelen juist belastingen en klimaatmaatregelen een grote rol in de eindprijs aan de pomp.
Een uitzondering is Malta, waar de overheid een maximumprijs hanteert en het verschil bij hoge marktprijzen zelf bijpast om de consument te beschermen.
Wereldwijde trend blijft hetzelfde
Het resultaat is een wereld waarin benzineprijzen variëren van enkele centen tot meer dan 3 euro per liter, afhankelijk van waar je woont, en vooral van het beleid van je overheid. Het gemiddelde wereldwijd is trouwens 1,20 euro per liter. Hoeveel betaal jij?