België haalt amper olie uit het Midden-Oosten, maar betaalt wel de rekening. Toeval, of zijn we speelbal van een globale prijsmachine?
Wie vandaag tankt, voelt het meteen: de prijs blijft hoog, ondanks het feit dat België nauwelijks afhankelijk is van olie uit het Midden-Oosten. Minder dan 4 procent van onze invoer komt uit die regio.
Toch reageren onze brandstofprijzen bijna reflexmatig op elke geopolitieke spanning daar. Dat roept een ongemakkelijke vraag op: betalen we voor schaarste die we zelf niet rechtstreeks ondervinden? Of anders gezegd: zijn we de financiële speelbal van een markt die gestuurd wordt door speculatie en verwachtingen, eerder dan door reële bevoorrading?
Waar onze energie écht vandaan komt
België haalt het grootste deel van zijn olie uit stabielere regio’s. Noorwegen (23 procent) is met afstand de belangrijkste leverancier, gevolgd door Kazachstan (17 procent) en de VS (15 procent). Het Midden-Oosten staat eigenlijk maar op de elfde plaats. Net geen 4 procent van onze olie komt uit Saoedi-Arabië en Irak.
Ook voor aardgas is dat beeld vergelijkbaar. Noorwegen (45 procent) domineert, met daarnaast import uit Frankrijk (15 procent), Nederland (12 procent)en – zij het afgebouwd – Rusland (9 procent). Qatar en andere Golfstaten zijn aanwezig, maar niet bepalend.
Met andere woorden: onze energievoorziening is geografisch gespreid en relatief onafhankelijk van conflictzones.
De logica van de wereldmarkt
Waarom stijgen de prijzen dan toch? Het antwoord ligt in de werking van de wereldmarkt. Olie wordt internationaal verhandeld tegen één globale prijs, ongeacht waar een land zijn fysieke voorraad haalt.
Als ergens in de wereld een productieprobleem ontstaat of een conflict dreigt, reageert de markt onmiddellijk. Niet omdat er per se minder olie naar België komt, maar omdat de totale beschikbaarheid en vooral de verwachtingen onder druk staan.
Die prijszetting gebeurt bovendien niet alleen op basis van vraag en aanbod, maar ook op basis van anticipatie. Traders en financiële spelers kopen en verkopen futures, inspelend op mogelijke tekorten. Dat mechanisme kan prijsstijgingen versterken, nog voor er effectief een probleem is.
Speculatie of systeem?
Daar zit de kern van de discussie. Is dit een logisch gevolg van een geglobaliseerde markt, of wordt de prijs mee opgedreven door financiële speculatie?
Het onderscheid is moeilijk te maken, maar de impact is reëel. Consumenten betalen vandaag prijzen die niet uitsluitend worden bepaald door de kost van de olie die effectief in België aankomt. De marktprijs is een optelsom van risico-inschattingen, geopolitieke spanningen en financiële posities.
De vraag of de olie die wij gebruiken ook effectief duurder werd aangekocht, is dus - zeggen ze - minder relevant dan ze lijkt. Wat telt, is de prijs op het moment van raffinage en verkoop — en die wordt wereldwijd bepaald.
Grenzen aan alternatieven
De zoektocht naar stabielere bevoorrading loopt intussen tegen fysieke limieten aan. Noorwegen, vandaag de belangrijkste leverancier voor Europa, draait op maximale capaciteit. Extra volumes zijn nauwelijks beschikbaar.
België kijkt daarom naar alternatieven, zoals vloeibaar aardgas (lng) via de haven van Zeebrugge. Maar ook daar geldt: de concurrentie is groot en de afhankelijkheid van de wereldmarkt blijft bestaan.
De consument betaalt
Het gevolg is weinig geruststellend. Zelfs met een gediversifieerde bevoorrading ontsnapt België niet aan de prijsschommelingen van de globale energiemarkt.
Of we nu rechtstreeks afhankelijk zijn van het Midden-Oosten of niet, maakt in de praktijk weinig verschil aan de pomp. De prijs wordt elders bepaald — en wij volgen.
De vraag is niet langer waar onze olie vandaan komt.
De vraag is wie de prijs echt bepaalt.
(Foto: Shutterstock)