Het imago wordt opgekuist, de structuur nauwelijks.
De federale en regionale regeringen leggen burgers een pakket besparingen op – van minder loonindexering tot hogere btw – maar beloven tegelijk dat ook de politiek haar bijdrage levert. Dat klinkt daadkrachtig, maar achter de schermen blijven belangrijke kostenposten grotendeels onaangeroerd. En het gaat allemaal net iets trager en dratischer dan bij ‘het gewone volk’.
Bevroren lonen om het imago te herstellen
Na jaren van reputatieschade wil de federale regering tonen dat ze zelf ook “offers brengt”. De lonen van parlementsleden en ministers worden daarom niet geïndexeerd. Het gaat om een beperkte besparing van ongeveer 2 miljoen euro, maar symbolisch moet het het beeld van “graaien” temperen. Vlaanderen volgt naar verwachting dezelfde lijn en handhaaft de eerdere beslissing om de ministerlonen niet mee te indexeren. De omstreden woonvergoeding van 1.150 euro blijft wel bestaan.
Of de Vlaamse parlementsleden hetzelfde doen als hun federale collega’s, is nog onduidelijk. Hun loon – bijna 9.000 euro bruto – blijft in ieder geval ongemoeid, al wordt overwogen om bijkomende vergoedingen voor commissievoorzitters te koppelen aan effectieve aanwezigheid. Ook de onkostenvergoeding van 2.650 euro per maand blijft intact.
Partijdotaties: eindelijk beweging
De partijfinanciering blijft één van de meest omstreden onderdelen van het politieke bestel. De Belgische partijen ontvingen in 2024 meer dan 83 miljoen euro directe subsidies en ruim 11 miljoen euro extra via bijdragen van mandatarissen. De eerste stap richting inperking is gezet: de dotaties worden niet langer geïndexeerd en op termijn moet er 5 miljoen euro per jaar verdwijnen.
De partijdoties op een rij
Volgens een analyse van KU Leuven blijven de directe overheidssubsidies in 2024 veruit de belangrijkste inkomstenbron voor vrijwel alle politieke partijen.
N-VA staat bovenaan met 12,24 miljoen euro aan subsidies en aanvullende inkomsten uit mandatarisbijdragen, waardoor het totaal uitkomt op 14,5 miljoen euro.
De PVDA haalt 7,38 miljoen euro uit subsidies, aangevuld met 3,14 miljoen euro aan bijdragen en 2,42 miljoen euro lidgelden, goed voor een totaal van 13,61 miljoen euro.
De PS volgt met 9,39 miljoen euro subsidies, aangevuld met 2,08 miljoen euro aan bijdragen en 1,59 miljoen euro lidgelden, wat resulteert in 13,4 miljoen euro.
Bij Vlaams Belang bedragen de subsidies 9,65 miljoen euro, aangevuld tot een totaal van 11,8 miljoen euro via andere inkomstenposten.
De MR ontvangt 9,14 miljoen euro subsidies en komt met extra bijdragen uit op 11,3 miljoen euro.
cd&v haalt 7 miljoen euro aan subsidies binnen, goed voor een totaal van 8,49 miljoen euro.
Ecolo ontvangt 5,61 miljoen euro en komt met mandatarisbijdragen uit op 8,31 miljoen euro.
Vooruit krijgt 5,88 miljoen euro subsidies en bereikt 6,9 miljoen euro aan totale inkomsten.
Les Engagés ontvangt 5,73 miljoen euro en klokt af op 6,5 miljoen euro.
Open Vld haalt 5,81 miljoen euro binnen en komt daarmee op 6,4 miljoen euro.
Groen ontvangt 4,79 miljoen euro subsidies en stijgt met overige inkomsten tot 6,11 miljoen euro.
DéFi sluit de rij met 1,4 miljoen euro aan subsidies.
De echte sprong komt in 2029, wanneer de dotaties via de Senaat – goed voor 10,6 miljoen euro – verdwijnen, op voorwaarde dat de Senaat effectief wordt afgeschaft. Critici wijzen erop dat men ook vandaag al kon schrappen, maar toch markeert de beslissing een verschuiving: partijen erkennen dat de financiering te hoog is geworden, zeker gezien hun gezamenlijke vermogen van meer dan 127 miljoen euro.
Nettovermogen van de partijen
Uit cijfers van KU Leuven blijkt dat de Vlaamse en Franstalige partijen in 2024 aanzienlijke verschillen vertonen in hun netto-vermogen.
N-VA voert de lijst aan met een vermogen van 26,3 miljoen euro, veruit het hoogste van alle partijen.
Daarna volgt Vlaams Belang met 15,3 miljoen euro, nipt boven de PS, die 15,1 miljoen euro aan netto-middelen aanhoudt.
cd&v komt uit op 15 miljoen euro, terwijl Ecolo een vermogen heeft van 13,3 miljoen euro.
In de middenmoot staan MR met 9,8 miljoen euro, Les Engagés met 7,6 miljoen euro, en PVDA met 7,5 miljoen euro.
Vooruit beschikt over 7,2 miljoen euro, gevolgd door Open Vld met 5,7 miljoen euro en Groen met 5 miljoen euro.
Onderaan de lijst staat DéFi, de enige partij met een negatief vermogen, namelijk –0,3 miljoen euro.
Deze cijfers tonen hoe groot de financiële kloof is tussen partijen, met uitschieters aan de top en enkele formaties die financieel nauwelijks boven water blijven.
Kleiner politiek apparaat, maar niet overal
Federale kabinetten zijn verkleind: geen staatssecretarissen meer en 30 procent minder kabinetsmedewerkers. Dat levert 21 miljoen euro per jaar op. Ook in Vlaanderen moet 120 miljoen worden gevonden binnen de overheidswerking, al is de concrete invulling nog niet bekend.
Maar één grote groep blijft opvallend buiten schot: de parlementaire medewerkers. Hun loonkost liep vorig jaar op tot bijna 105 miljoen euro. In de praktijk functioneren ze in veel gevallen als partijpersoneel, samengebracht in centrale pools die de partijlijnen bewaken. Aan die praktijk wordt voorlopig niet geraakt.
Het kerkhof van lokale mandaten
Gemeenteraden, OCMW’s, provinciebesturen, intercommunales: overal bestaan nog betaalde mandaten die volgens critici nauwelijks beleidswaarde hebben. De politieke wil om die structuur af te slanken is opnieuw afwezig. Terwijl net daar – zonder confrontatie met werknemers of diensten – grote bedragen kunnen worden bespaard. De voorkeur gaat voorlopig uit naar federale ingrepen zoals btw-verhogingen en indexbeperkingen.
Uittredingsvergoedingen en pensioenen eindelijk aangepakt
Politici die vertrekken, krijgen voortaan nog maximaal één jaar vergoeding. Het systeem wordt dus verder teruggeschroefd. Ook de pensioenen worden hervormd: de berekening gebeurt vanaf nu op basis van de gemiddelde loonmassa over de laatste tien jaar, niet langer op het laatste jaar. Voor de meeste parlementsleden betekent dat dat een volledig pensioen onhaalbaar wordt.
De grote afwezige: een uniform statuut
Hoewel verschillende regelingen worden aangescherpt, blijft de kernvraag voorlopig onbeantwoord: waarom blijft het politieke statuut zo sterk afwijken van dat van gewone werknemers? Voorstellen om politici volledig in het sociale zekerheidsstelsel onder te brengen – met klassieke werkloosheidsuitkering, ziekteverlof en ouderschapsregeling – raken politiek niet vooruit. Nochtans zou dat het debat over vergoedingen en privileges grotendeels depolitiseren.
Bijna, maar nog niet helemaal
De regeringen willen tonen dat ze zelf inleveren, maar de ingrepen blijven vooral symbolisch. Lonen worden tijdelijk bevroren, dotaties licht ingeperkt en kabinetten slanker gemaakt. Maar dure structuren zoals parlementaire medewerkers en de overvloed aan lokale mandaten blijven onaangeroerd. De politieke klasse zet dus stappen richting geloofwaardigheid, maar laat tegelijk duidelijke zones ongemoeid – precies daar waar de echte besparingsruimte ligt.
(Foto: PD)