Kerstdag in België is geen feestdag, het is een logistieke operatie. De gemiddelde Belg wordt niet wakker met een zweem van magie of feestvreugde, maar met een lichte vermoeidheid omdat kerstavond alweer langer duurde dan gepland. Ergens in het huis ruikt het nog naar gourmet, iemand heeft een halve kerststronk in de frigo gepropt alsof die vanzelf kleiner wordt, en de hond kijkt schuldig, wat meestal betekent dat hij iets heeft gedaan wat pas bij het stofzuigen ontdekt zal worden.
Langzaam komt iedereen op gang. Eerst koffie, dan nog koffie, daarna even nadenken of er vandaag écht gedoucht moet worden, en dan volgt het moment waarop iedereen zich realiseert dat er opnieuw een familiebezoek gepland staat. Want in België is kerst geen keuze, het is een verplicht traject waarbij je van tafel naar tafel reist, alsof je meedoet aan een culinaire Ronde van Vlaanderen, al dan niet met De Vos, Lemmens en met heel veel meningen over politiek.
Bij aankomst bij de familie is het altijd hetzelfde ritueel. De moeder des huizes roept al van in de keuken dat je “precies vermagerd bent” (of juist “precies goed gegeten hebt dit jaar”). Iemand vraagt of je “nog altijd datzelfde werk doet”. En nog voor je jas uit is, word je een glas aangereikt waarin 80% cava zit en 20% goedbedoelde druk om toch zeker mee te drinken.
De rest van de dag verloopt volgens eeuwenoude traditie: de familiefoto die te vaak mislukt, de ooms die elkaar willen overtuigen van hun waarheden, de kinderen die ruzie maken over speelgoed dat gisteren nog niet eens bestond, tantes die vragen waarom je geen kinderen hebt of wanneer je trouwt, en grootmoeders die vinden dat je al lang blij mag zijn met je gezondheid, want “je weet maar nooit, hé”. Niemand weet precies waarom dit moet, maar iedereen doet mee. Het zit ingebakken in ons DNA.
Het eten is meestal overvloedig, en dat is nog zacht uitgedrukt. Belgische families koken niet, ze bereiden oorlogsrantsoenen voor een stad in belegering. Vijfenzeventig kroketten voor zes mensen? Dat is gewoon “zeker zijn”. En hoewel iedereen roept dat ze “niks meer kunnen binnensteken”, verdwijnt de kerststronk toch als sneeuw voor de zon, vaak in combinatie met een likeurtje dat we de rest van het jaar niet durven aanraken.
Tegen het einde van de namiddag valt het huis in een soort kerstroes. Gesprekken worden trager, gordijntjes worden half dichtgetrokken tegen de vroege donkerte, en iedereen heeft dat typische Belgische kerstdaggevoel: lichtjes overeten, een tikkeltje emotioneel, en vooral uitgeput op een manier die zelfs een marathon niet voor elkaar krijgt. Dan komt het ogenblik waarop ouders met kleine kinderen verdwijnen alsof ze door de kerstman zelf zijn opgeroepen, en de rest van de familie spontaan in fluistermodus gaat: niet omdat het moet, maar omdat het zo hoort.
Wanneer je uiteindelijk naar huis rijdt, met twee bakjes overschot en een fles bubbels die je niet wou maar toch meekreeg, besef je dat kerstdag niet draait om perfectie. Het draait om die charmante Belgische chaos waarin iedereen zijn best doet, niemand weet wat ze doen, en waar ondanks alles toch warmte hangt, de soort warmte die alleen ontstaat wanneer familie elkaar ziet, zelfs al was het soms net iets te lang.
Dat is de kerstdag van de gemiddelde Belg: vermoeiend, voorspelbaar, soms licht toxisch, maar ergens ook ontzettend gezellig. Een traditie waar we luidop over klagen, maar stiekem toch zouden missen als ze er niet meer was.