Hoe de Nationale Bank aantoont dat de top 1 procent zich elegant aan solidariteit onttrekt.
Belastingen rechtvaardig? Het klinkt goed in verkiezingsfolders en op 1 mei-bijeenkomsten, maar de realiteit is — hoe verrassend ook — alweer een tikkeltje cynischer. De Nationale Bank heeft in een nieuwe studie met harde cijfers aangetoond wat velen al jaren vermoeden: ja, sterkere schouders dragen zwaardere lasten… behalve als je écht stinkend rijk bent. Dan draagt je geld zichzelf.
De belastingpiramide: breed aan de basis, poreus aan de top
In tegenstelling tot eerdere studies, die vooral steunden op vrijwillige enquêtes - “Hoeveel verdient u, meneer?” – “Genoeg, dank u” - heeft de Nationale Bank deze keer serieuze bronnen aangesproken: de belastingdienst, Statbel en ander statistisch wapentuig dat geen doekjes windt om inkomens. En wat blijkt? Wie meer verdient, betaalt in principe meer. Dat is goed. Dat is sociaal. Dat is normaal.
Maar net bovenaan die progressieve belastingpiramide gaapt een gat: de fameuze top 1 procent — goed voor een gemiddeld gezinsinkomen van 430.000 euro per jaar — glipt daar vlotjes doorheen. Want hoe meer je verdient uit vermogen in plaats van arbeid, hoe soepeler de fiscus zich opstelt. Dividendje hier, vastgoedrendementje daar… en de RSZ kijkt de andere kant op.
Roeland Beerten, econoom bij de Nationale Bank, vatte het bij ‘VRT NWS’ droog samen: “Inkomen uit vermogen wordt niet op dezelfde manier belast als inkomen uit arbeid.” Dat is beleidsjargon voor: ‘Wie kapitaal heeft, betaalt minder.’ Want het kapitaal moet vloeien, niet bloeden.
Herverdeling: geen socialistische droom, wel statistische redding
Toch is er ook goed nieuws, al blijft het wrang smaken. Dankzij herverdelingsmechanismen – belastingen, uitkeringen, betaalbare gezondheidszorg, onderwijs zonder schuldendwang – kunnen de onderste inkomensgroepen nog enigszins overleven. Zonder die sociale stroppen worden ze economisch levend gevild.
Neem de armste 10 procent van de bevolking: zonder overheidsingrijpen zijn ze goed voor 1,2 procent van het nationale inkomen. Maar na herverdeling stijgt hun aandeel naar 4,2 procent. Niet spectaculair, maar je kan er tenminste één keer per jaar de elektriciteitsfactuur mee betalen.
De top 10 procent dan? Die gaan van 29,9 naar 21,2 procent van het totale inkomen. Nog steeds veel te veel, maar je merkt: het systeem doet iets. Niet genoeg, maar toch iets. De samenleving houdt zichzelf nét overeind met pleisters en plakband.
Sparen: een luxeproduct
Wat al helemaal in het oog springt, is dat vier op de tien Belgen niet in staat zijn om ook maar iets te sparen. Dat zijn niet allemaal mensen met een Netflix-verslaving of een te dure leasewagen. Neen, het gaat opvallend vaak om alleenstaanden en inwoners van Brussel, die na huur, energiefactuur en voedsel net genoeg overhouden om niet flauw te vallen.
“Basiskosten slorpen een disproportioneel deel van hun inkomen op”, aldus Beerten. Lees: het maandloon is op vóór de maand halfweg is.
Een fiscale Titanic
Het Belgische systeem is progressief… tot het écht serieus wordt. Tot we aan de echte rijken komen. Dan gaan de reddingsslopen open, en wie kapitaal heeft, mag het dek verlaten. De rest blijft op het schip, roept solidariteit, en peddelt met plastic lepels.
De Nationale Bank maakt het opnieuw pijnlijk duidelijk: wie werkt, betaalt. Wie bezit, ontwijkt. En zolang dat fundamentele onevenwicht blijft bestaan, zal “sterke schouders” vooral een mooi verhaal zijn voor de middenklasse — die net sterk genoeg is om alles te dragen, maar net niet rijk genoeg om eraan te ontsnappen.
(Foto: Shutterstock)