Europese defensieministers proberen de koek onder mekaar te verdelen, maar de eendracht is ver zoek.
Het blijft onduidelijk wat er precies gebeurt met miljarden uit onze sociale zekerheid, waarmee de defensie-industrie wel garen spint – maar wie, wat, hoeveel en waarom, dat mogen we kennelijk niet weten.
Franse tanks, Belgische belastingen: waar blijft de transparantie over wat ons dat allemaal kost?
Na stevig parlementair gemor en een vernietigend rapport van het Rekenhof belooft minister van Defensie Theo Francken beterschap: de Belgische defensie-industrie zou eindelijk mee mogen profiteren van de miljarden die naar buitenlandse pantservoertuigen vloeien. Alleen blijft het onduidelijk hoeveel economische return daar nu écht tegenover staat — en vooral: waar al die publieke miljarden naartoe gaan.
Miljardencontract zonder zicht op rendement
Het Belgische leger bestelt honderden Franse pantservoertuigen van het type Griffon en Jaguar, via het CaMo-programma. De factuur? Volgens het Rekenhof loopt die op tot minstens 14,4 miljard euro, bijna tien keer de oorspronkelijk voorziene 1,5 miljard. Inclusief onderhoud, infrastructuur en personeelsinzet.
Dat prijskaartje leidde eerder dit jaar tot een storm van kritiek. Niet zozeer over de noodzaak van modern defensiematerieel — daarover bestaat politieke consensus — maar over het gebrek aan economische compensatie en transparantie. België pompt miljarden in de Franse defensie-industrie, maar kreeg daar amper industriële activiteit of jobs voor terug.
Francken schermt nu met een “gemeenschappelijke verklaring” met zijn Franse collega Sébastien Lecornu. Die zou garanderen dat Belgische bedrijven als FN Herstal en John Cockerill meer meedraaien in de productie, ook voor Franse bestellingen. Welke contracten dat concreet oplevert, hoeveel jobs daarmee gemoeid zijn of welk bedrag daarmee terugvloeit naar de Belgische economie? Dat blijft onduidelijk. Frankrijk wil het discreet houden, aldus Francken. En als dat niet waazr is, is het goed gevonden, toch?
Wat je niet ziet, hoef je niet uit te leggen
De boodschap aan de belastingbetaler is intussen pijnlijk helder: u financiert pantservoertuigen, infrastructuur en toeleveringsketens, maar u mag niet weten hoeveel daarvan in eigen land blijft. Dat heet dan “partnerschap”. Transparantie? Neen. Toezicht? Beperkt. Openbare rekenschap? Onbestaande.
De koopkracht van de belg staat onder druk staan, sociale uitgaven worden afgeroomd, pensioenen hervormd, werkloosheidsuitkeringen herbekeken en nieuwe belastingen ingevoerd. Zouden we dan ook precies mogen weten waar onze centen precies naartoe gaan. “Breng de bonnetjes eens binnen, Theo.”
In defensiedossiers doen ministerie steeds vaker beroep doet op geclassificeerde contracten, discretionaire clausules en ‘strategische overwegingen’. Een mechanisme dat politiek handig is — men kan zich altijd verschuilen achter het hogere belang van veiligheid — maar dat tegelijk de democratische controle op overheidsbestedingen uitholt.
Politieke marketing boven begrotingsdiscipline
Premier De Wever en minister Francken presenteren het nieuwe akkoord als een strategisch succes. België wordt niet langer klant, maar “partner” van de Franse defensie-industrie, zo luidt het. Parijs zou nu wel economische return garanderen, mede omdat het Duitsland geen extra marktaandeel in België gunt. Maar achter die diplomatieke formulering schuilt de vaststelling dat België zijn onderhandelingspositie nauwelijks benut heeft, en jarenlang vooral heeft betaald zonder garanties.
Zelfs de belofte dat een nieuwe generatie pantservoertuigen deels in Brussel geproduceerd zou kunnen worden, blijft voorlopig niets meer dan hoop. Van een engagement, laat staan een investering, is nog geen sprake. Toch wordt het alvast verkocht als “parel in de schoen”, dixit De Wever.
Maar moet een overheid die diep in de zak van de burger tast, dan geen verantwoording afleggen.? En nee, niet Niet over strategische details, wel over budgettaire keuzes, return on investment en industriële impact.
Waar zijn de cijfers?
Dat de Belgische defensie-industrie iets krijgt, is evident. Maar hoeveel, hoe duurzaam en op welke schaal? Blijft het bij enkele werkplaatsen bij FN Herstal en John Cockerill? Of is er sprake van structurele werkgelegenheid, technologieoverdracht, exportmogelijkheden? Zolang die vragen onbeantwoord blijven, blijft het beeld overeind: miljarden verdwijnen in een zwart gat, en het publiek mag vooral tevreden zijn dat het niet te veel mag weten.
(Foto: Didier Lebrun/Photo News)