Theo Francken ziet ze vliegen.
Defensieminister Theo Francken (N-VA) trekt harder dan ooit aan de alarmbel: de voorbije dagen zouden opnieuw drones zijn gezien boven het militaire domein in Marche-en-Famenne, en dat geeft volgens Theo aan dat België meteen extra middelen moet vrijmaken om zijn luchtruim te bewaken. Op de ministerraad van volgende week legt hij een kortetermijnpakket van 50 miljoen euro voor. Op langere termijn pleit hij voor een totaalbudget van ongeveer 500 miljoen euro voor een “echt antidronepakket” — radars, detectie, jammers en zelfs zogenoemde antidrone-shotguns.
Een man met een plan
De motivatie laat geen ruimte voor twijfel: drones worden geserveerd als spionagemiddel, mogelijk gebruikt door «statelijke actoren» — in één adem met waarschuwingen over Russische activiteiten rond westerse militaire sites. Francken wijst rechtstreeks naar Rusland als “de meest bedreigende statelijke actor” en plaatst België binnen een groter patroon van onrust: de aanwezigheid van NAVO-infrastructuur, financiële instellingen en militaire commando’s zou ons land tot een aantrekkelijk doel maken. Alles in de voorwaardelijke wijs, toch?
Maar tussen kreet en koop liggen kritische vragen — vragen waar je het gevoel bij krijgt dat je ze niet wílt, of zelfs niet mag stellen. Mag je bijvoorbeeld onbevangen vragen hoe precies die drones ons zouden kunnen schaden? En, of het zinvol is om in te zetten op dure systemen die experts zelf al in twijfel trekken? In het huidige klimaat van geopolitieke paniek klinkt dat al snel als cynisme. En toch: politieke leiders die in allerijl extra wapentuig bestellen verdienen net wél die scherpe, openbare toets.
Wat wordt er precies gevraagd?
Francken wil op korte termijn detectiesystemen, extra jammers — die radiocommunicatie tussen drone en piloot verstoren — en kinetische opties om drones neer te halen. De minister gebruikt woorden als “we moeten ze uit de lucht schieten”, maar nuanceert tegelijk: “Dat is niet eenvoudig.”
Jammers werken bijvoorbeeld alleen tegen bepaalde signalen; radars detecteren, maar onderscheppen is technisch uitdagend; en “antidrone-shotguns” zijn in de praktijk weinig geschikt voor grootschalige bedreigingen.
De grote hamvraag is: investeren we in middelen die vandaag weinig blijken te doen tegen bedreigingen van morgen? Of investeren we in een veiligheidsgevoel — nuttig voor de opinie, minder onomstotelijk voor de echte effectiviteit?
Snelheid versus zorgvuldigheid
Francken zegt dat “het dossier klaar is” en wil versnellen. Maar grote aankopen van militaire technologie vallen binnen een web van Europese regelgeving en aanbestedingsregels. Voor de grootschalige investering van een half miljard rekent hij op meer dan een jaar om alles rond te krijgen. Het kabinet klinkt dus zowel driftig als realistisch: kortetermijnkoopjes moeten de gaten dichten, het lange-termijnplan vraagt juridische en Europese afstemming.
Toch is er een zichtbaar verschijnsel: de reflex naar méér materieel — snel, zichtbaar en politiek verkoopbaar — is opvallend. De vraag of we niet eerst moeten nagaan welke capaciteiten échte meerwaarde hebben — en of diplomatie, versterkte procedures, of beter inlichtingenwerk effectiever kunnen zijn — wordt zelden prominent gesteld in de publieke rit.
De retoriek en de reactie
Francken verbindt de dreiging aan bredere strategische narratieven: cyberaanvallen, financiële kwetsbaarheden en de nabijheid van NAVO-infrastructuur. Ook hoorden we de minister publiekelijk de confrontatie met Rusland benoemen — een lijn die hem deze week zelfs in een verbale botsing met oud-president Dmitry Medvedev bracht. De toon is confrontatiegericht: dreiging + reactie = urgentie + middelen.
Wat zeggen de experts
Is er garantie op succes? Neen — en dat is belangrijk. Technologische oplossingen voor drones werken in concrete scenario’s, maar niet als universeel antwoord. Detectie is één ding, interceptie een ander. Jamming kan bijvoorbeeld civiele communicatie verstoren; kinetische onderschepping stelt veiligheidsrisico’s op de grond. Zonder een gedetailleerd operationeel concept en interoperabiliteit met NAVO-partners blijven veel aankopen risicovol en duur.
De reflex om te kopen is snel, het debat traag
Francken zet dus vol in op zichtbare actie: 50 miljoen nu, een half miljard op termijn. Dat is politiek aanspreekbaar en symbolisch sterk. Maar de logica van een onmiddellijke aankoop — vooral wanneer ze gepaard gaat met retoriek die staatsactoren aanwijst en het publiek angst inboezemt — zou toch mogen gevolgd worden door een hard, openbaar debat: wat is het bewezen probleem, welke systemen werken écht, wie coördineert ze, hoe beschermen we burgerrechten en infrastructuren, en bovenal: hoe vermijden we dat paniek de inkoop en strategie dicteert?
Mogen we ons afvragen hoe die drones precies opereren, wie er precies achter zit en of die zware investeringen daadwerkelijk zoden aan de dijk zetten? En mogen wij ons afvragen waarom de reflex naar militaire oplossingen zo snel volgt? Mogen wij als publiek op dat soort vragen nog antwoord krijgen?
(Foto: Philip Reynaers/Photo News)