Er bestaat een soort meningen die je alleen kunt hebben als je er zelf niet in moet wonen. Ze klinken strijdvaardig, moreel superieur en perfect geschikt voor sociale media. “De VS viel Venezuela binnen om olie te stelen” is er zo één. Of in Vlaanderens grootste krant: “De ontvoering van Maduro moet de grootste oliereserves ter wereld bereikbaar maken voor de VS”. Het is een slogan die vooral goed werkt in comfortabele Europese woonkamers, op warme zetels, met stabiele elektriciteit en een koelkast die niet leeg is.
En precies daarom wringt het.
Want wie Venezuela herleidt tot een moreel stripverhaal met een boze Amerikaanse cowboy en een nobel onderdrukt volk, mist niet alleen context, maar ook realiteit. De harde waarheid is namelijk veel minder romantisch en vooral veel pijnlijker: de Venezolaanse olie is al lang niet meer van de Venezolanen. Niet moreel, niet economisch en al helemaal niet in het dagelijkse leven van wie daar woont.
Olie als idee, niet als bezit
In theorie is Venezuela een van de rijkste landen ter wereld. In theorie, want het land zit op gigantische oliereserves. In praktijk betekent dat al jaren niets meer voor de gemiddelde burger. De olie-inkomsten zijn geen collectieve welvaart meer, maar een machtsinstrument geworden. Ze dienen om loyaliteit te kopen, elites te financieren en structuren in stand te houden die niets te maken hebben met volkswelzijn.
Wie dan vanop afstand roept dat “de Amerikanen de olie van het volk stelen”, doet alsof dat volk daar nog iets over te zeggen heeft. Alsof de olie vandaag brood op tafel brengt, medicijnen in ziekenhuizen of veiligheid op straat. Dat doet ze niet. Al jaren niet meer.
Westerse verontwaardiging als hobby
Wat vooral opvalt, is hoe hard Venezuela in Europa en op X wordt gebruikt als projectiescherm. Niet om Venezolanen te begrijpen, maar om jezelf te positioneren. Anti-Amerikaans en vooral Anti-Trump, anti-imperialistisch, anti-kapitalistisch: kies je badge en plak ze erop.
Het is een comfortabele verontwaardiging. Ze kost niets. Ze vraagt geen kennis van het land, geen gesprek met mensen die er wonen, geen confrontatie met grijze zones. Ze vraagt alleen een slogan.
Maar slogans lossen geen lege apotheken op. Ze herstellen geen kapotte infrastructuur. Ze maken geen einde aan hyperinflatie, corruptie of een economie die al jaren structureel faalt.
Wie met Venezolanen spreekt — echt spreekt, niet over hen praat — merkt snel hoe anders het perspectief is. Daar gaat het gesprek niet over “geopolitieke schaakstukken”, maar over heel concrete dingen: Kan ik morgen werken? Is er elektriciteit? Is er eten? Is het veilig?
Voor veel Venezolanen is buitenlandse inmenging geen ideologisch debat, maar een praktische vraag: helpt dit om de situatie te verbeteren of niet? En dat antwoord is zelden zwart-wit. De wereld waarin alles kan worden samengevat als “VS slecht, rest goed” bestaat daar simpelweg niet.
Morele eenvoud is geen analyse
Het probleem met de slogan “VS steelt olie” is niet dat ze per definitie fout is in elk denkbaar scenario. Het probleem is dat ze alles anders wegduwt. Alsof interne verantwoordelijkheid, wanbeheer, repressie en economische implosie bijzaak zijn. Alsof alles altijd van buitenaf komt.
Dat is geen solidariteit. Dat is gemakzucht.
En vooral: het is een luxe om zo te denken. Alleen wie nooit afhankelijk was van een falende staat, kan zich veroorloven om complexiteit te reduceren tot zo'n uitspraak.
Wie spreekt, en voor wie?
De harde vraag is dus niet: wat doen de Amerikanen?
Maar: wie krijgt hier eigenlijk een stem?
Want opvallend vaak zijn het niet de Venezolanen zelf die het luidst aan het woord zijn in dit debat, maar westerse commentatoren die hun eigen morele identiteit bevestigen via een ver land. Venezuela wordt dan geen realiteit meer, maar een argument.
En misschien is dat wel het meest wrange van alles:
dat een land vol echte problemen vooral dient om online gelijk te halen.