Er was een tijd, en die ligt nog geen tien jaar achter ons, waarin automerken zich gedroegen als mannen op dieet: hoe kleiner, hoe beter. Minder cilinders, minder inhoud, meer turbo. Resultaat? SUV’s van anderhalve ton die aangedreven worden door een duizend cc-torretje. Downsizing was in, dat was tenminste zuinig! Enfin, op papier dan toch.
Op papier was dat allemaal fantastisch. Zuinig, proper, goed voor het klimaat en zo. In de praktijk is ‘t met zo’n koffiemolen heel wat minder. Of juist meer, want als je zo’n minimotor laat werken, wat ook vaak moet met die bushokken op wielen van tegenwoordig, dan zet-ie zijn keelgat open en zegt hij: ‘Dorst, dorst, dorst.’ Hoe vaak hebben we in onze autotests niet geschreven dat die dingen in de praktijk meer zopen dan onze eigen hothtach met ‘dikke’ tweeliter?
Dat hele circus had één oorzaak: die oude NEDC-test. Een laboratoriumtest die zo weinig met de realiteit te maken had dat je er eigenlijk alleen maar goede cijfers mee kon halen als je motor vooral goed was in… niks doen. Rustig optrekken, lage snelheden, geen stress. Ideaal voor kleine motortjes die in het echte leven net constant op hun tandvlees lopen.
Europa heeft dat spelletje ondertussen ook door. Eerst werd de test realistischer met WLTP, en nu komt daar Euro 7 bovenop. Vanaf eind 2026 wordt het menens: auto’s moeten niet alleen op papier proper zijn, maar ook in het echte verkeer.
En plots blijkt iets wat elke mens met gezond verstand al wist: die kleine, opgefokte turbodwergen zijn helemaal niet zo efficiënt als ze lijken. Integendeel. Ze moeten zo hard werken om een moderne auto vooruit te krijgen dat ze uiteindelijk meer verbruiken dan een iets grotere motor die het allemaal wat rustiger kan aanpakken.
Dus wat doen merken? Ze doen wat ze eigenlijk tien jaar geleden al hadden moeten doen: stoppen met die grasmaaiers op espresso.
Bij Volkswagen vliegen de driecilinders stilaan buiten en maken ze opnieuw plaats voor een 1.5 viercilinder. Mercedes schrapt bepaalde extreem opgefokte motoren. Toyota en Mazda kiezen weer voor grotere blokken die — hou je vast — efficiënter blijken te zijn in het echte leven. De ironie schrijft zichzelf.
Waarom die plotse ommekeer? Simpel: geld. Euro 7 kost handenvol geld om aan te voldoen, en automerken hebben hun spaarpot al leeggeschud voor elektrische projecten. Dus moeten ze kiezen. En dan sneuvelen net die kleine, complexe motoren die tot op het bot zijn uitgeperst om op papier goed te scoren.
Wat overblijft, zijn motoren die minder moeten bewijzen en gewoon doen wat ze moeten doen. Minder stress, minder gejaag, minder theater.
Alleen Vlaanderen heeft het memo nog niet helemaal gekregen. Hier blijf je vrolijk meer belastingen betalen op een grotere motor, omdat die ‘slechter’ zou zijn voor het milieu. Terwijl de realiteit stilaan het omgekeerde begint te bewijzen. Maar goed, logica en fiscaliteit zijn hier al sinds het ontstaan van de FOD geen beste vrienden.
Eén ding is wel duidelijk: de tijd van de opgefokte opgejaagde mixer loopt op zijn einde. En eerlijk? Daar gaat niemand echt om rouwen.