Rode rozen en vurige woorden: de socialistische familie kraakt op 1 mei.
Aan de vooravond van de Dag van de Arbeid – traditioneel hét moment waarop de linkerzijde zich verenigd en strijdbaar toont – werd in socialistische kringen vooral met scherp op elkaar geschoten. Geen opgeheven vuist richting rechts, maar een spagaat tussen regeringsverantwoordelijkheid en vakbondsverontwaardiging. Vooruit wil bouwen, het ABVV ziet afbraak. Wij zien een familieportret vol barsten.
Conner Rousseau: sociaal tot het gaatje (en verder)
Conner Rousseau, de zelfverklaarde erfgenaam van de sociaaldemocratische strijdtraditie, trapte z’n 1 mei-speech af met de plechtige belofte dat Vooruit “de sociale strijd voert in de regering”. Letterlijk in de regering, tussen de MR en de N-VA, waar elke loonsverhoging wordt afgewogen tegen het risico op een coalitiebreuk. “Wij lopen niet weg als het moeilijk wordt”, verkondigde Rousseau strijdvaardig. “Wij knokken tot we erbij neervallen.” Maar de vraag is of hij vecht tegen de rechtse ministers, of tegen z’n eigen geloofwaardigheid?
Met z’n pleidooi voor een meerwaardebelasting probeert Rousseau zich te profileren als het laatste linkse geweten in een centrumrechts kabinet. Superrijken zouden volgens hem eindelijk hun “eerlijk deel” moeten betalen. PS-voorzitter Paul Magnette had alvast begrip voor Rousseaus solitaire kruistocht, noemde hem “geïsoleerd” en steunde de eis. Solidariteit uit Wallonië, maar weinig daden uit de Wetstraat.
ABVV: “Dit is geen hervormen, dit is slopen”
En dan was er Bert Engelaar, de ABVV-topman die niet aan rondjes knuffelcommunicatie deed. Wat Rousseau “sociale strijd in de regering” noemt, ziet Engelaar als de grootste aanslag op de sociale zekerheid sinds de uitvinding van de stempelkaart. “Dit is niet hervormen. Dit is afbreken,” klonk het onverbloemd. Werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken? “Dat is mensen richting armoede duwen.” Pensioenhervormingen? “Straffen op kapotte ruggen en versleten knieën.”
Engelaar haalde ook uit naar de miljarden die naar Defensie gaan, “voor drones en straaljagers, terwijl mensen in de wijk hun huur amper kunnen betalen”. De linkse vakbondsman klonk als een ouderwetse syndicalist uit de jaren ’70. Of beter gezegd: als iemand die wél nog weet waar de roots van de 1 mei-traditie liggen.
Familiefeest met koude schotel
Rousseau probeerde de barst te lijmen: “Wij blijven één familie.” Maar wie goed luisterde, hoorde vooral een ongemakkelijke balans tussen realpolitik en morele schuldbekentenis. "Ja, er is discussie binnen de socialistische familie," gaf hij toe. Geen wonder, als je tegelijk je nek moet uitsteken voor Defensie-uitgaven in NAVO-verband én de steun wil behouden van het ABVV dat zich kapot ergert aan diezelfde wapenbudgetten.
Vooruit probeert intussen de Dag van de Arbeid te claimen als de hunne. “Vooruit is de partij van de zorg,” riep Rousseau, maar hoe een partij die besparingen slikte, indexsprongen tolereerde en zich vastketende aan een rechtse begrotingsdiscipline, zich nog op de borst kan kloppen als kampioen van de sociale strijd?
Van Grieken op links?
Dan kwam Tom Van Grieken, de enige partijleider die zijn 1 mei-speech nog ouderwets rechtselectoraal invulde. Hij noemde het Vlaams Belang “hét syndicaat van de gewone Vlaming”, viel de vakbonden frontaal aan én pleitte voor een splitsing van de sociale zekerheid. “Vlaams geld voor Vlaamse mensen,” luidde het vertrouwde recept. Het is vintage Belang: de sociale retoriek lenen van de linkerzijde, om er vervolgens een communautair vergif in te mengen.
Wie nog gelooft?
Tussen de rode vlaggen, opgestreken dassen en opgeblonken slogans, is het op deze 1 mei vooral zoeken naar coherentie. De arbeidersbeweging is een reus op lemen voeten: verscheurd tussen salonfähige compromissen en straatprotest. Rousseau wil het systeem van binnenuit veranderen, Engelaar ziet in dat het systeem hém aan het veranderen is. En de PS? Die steunt intussen haar Vlaamse broeders op een veilige afstand, in de wetenschap dat oppositie ruimer ademt dan regeringsdeelname.
De enige vraag die nog overblijft: hoeveel sociale strijd kan een partij voeren zonder zélf tot strijdpunt te worden?