De overheid legde referentieprijzen vast voor laptops in het onderwijs, maar bijna twee op de drie middelbare scholen die een toestel verplichten, zitten daar boven.
September komt eraan. Voor gezinnen met kinderen is dat traditioneel een dure maand. Nieuwe kleren, schoenen, schoolmateriaal, boeken, abonnementen en uitstappen: de rekening loopt snel op. En dan is er in steeds meer gezinnen nog de schoollaptop.
Die laptop is allang geen luxedingetje meer, maar een noodzakelijk onderdeel van de schooldag. Taken worden digitaal gemaakt, lessen verlopen via online platformen en communicatie tussen school, leerling en ouders gebeurt steeds vaker via een scherm.
En daar groeit een probleem. Als een laptop noodzakelijk is om onderwijs te kunnen volgen, hoe verhoudt die kost zich dan tot het principe van kosteloos onderwijs?
Een bedrag van 500 of 600 euro is voor veel gezinnen al aanzienlijk. Maar sommige scholen rekenen honderden euro's meer. In bepaalde gevallen loopt de totale kost, afhankelijk van aankoop- of huurformule en looptijd, zelfs op tot 1.400 euro.
De overheid bepaalde een prijs. Of toch niet helemaal?
Onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) wilde vorig jaar paal en perk stellen aan de soms hoge laptopkosten. Daarom werden referentieprijzen ingevoerd: ongeveer 250 euro voor een budgetvriendelijk toestel en maximaal 575 euro voor een duurder model.
Het woord is belangrijk: referentieprijs.
Want het gaat niet om een absoluut prijsplafond waar geen school boven mag gaan. De prijzen zijn richtinggevend. En precies daardoor ontstaat vandaag een merkwaardige situatie.
Uit een bevraging van ‘Het Nieuwsblad’ bij Vlaamse middelbare scholen blijkt dat 30 van de 47 scholen, aangeven dat ze niet binnen de referentieprijzen kunnen blijven. Dat is bijna twee op de drie.
Mogen wij ons dan de vraag stellen wat een richtlijn van de overheid nog waard is als een meerderheid van de scholen daar vervolgens boven zit?
Laptop van 918 euro
Voor ouders is het geen theoretische discussie.
Een alleenstaande moeder uit Hoeilaart staat bijvoorbeeld voor de keuze tussen een laptop van 918,80 euro in één keer betalen of het toestel gedurende 46 maanden huren. Die huurformule komt uiteindelijk uit op 1.104 euro.
Een ander gezin moet voor twee kinderen laptops voorzien. Voor de ene leerling kost het toestel 799 euro. Voor de andere wordt gedurende 45 maanden 21,95 euro betaald, goed voor bijna 1.000 euro.
Dat zijn bedragen die niet meer onder de categorie 'kleine schoolkosten' vallen.
Zeker niet wanneer een gezin meerdere kinderen heeft en verschillende laptops tegelijk moet financieren.
Waarom zijn die toestellen zo duur?
De scholen hebben daar argumenten voor.
Een goedkope laptop is niet noodzakelijk een goedkope oplossing. Een toestel moet voldoende krachtig zijn om de software en toepassingen van de school te kunnen draaien. Het moet bovendien een aantal jaren meegaan, en liefst ook tegen een stootje kunnen.
Daar komen garantie, technische ondersteuning, herstellingen en dienstverlening bij.
Sommige scholen kiezen daarom bewust voor duurdere toestellen die langer meegaan. In het Heilig-Hartcollege in Heist-op-den-Berg betalen ouders bijvoorbeeld tot 1.399 euro wanneer ze een toestel in één keer aankopen. De school kiest voor een toestel dat volgens de directie zes jaar moet meegaan.
Maar ook daar blijft de rekensom wringen. Zelfs wanneer een toestel langer meegaat, ligt de uiteindelijke kost voor ouders aanzienlijk hoger dan de referentieprijs van de overheid.
De markt als excuus?
Een deel van de verklaring ligt volgens scholen en ICT-coördinatoren bij de internationale computerindustrie.
De enorme vraag naar chips en computeronderdelen, onder meer door de AI-boom, heeft de markt veranderd. Onderdelen zijn duurder geworden en leveranciers kunnen niet altijd dezelfde toestellen aanbieden tegen de prijzen waarop de referentiebedragen werden gebaseerd.
De referentieprijzen zijn dus te weinig afgestemd op de realiteit van de markt?
Voor ouders blijft dat een moeilijk verhaal.
De computerindustrie mag dan duurder worden, het gezin dat in september een factuur krijgt, heeft daar weinig boodschap aan. Een referentieprijs die op papier bestaat maar in de praktijk nauwelijks haalbaar blijkt, biedt uiteindelijk weinig bescherming.
Gratis onderwijs
We pronken in Vlaanderen graag over gratis onderwijs. Niemand zal ontkennen dat het onderwijs zelf voor leerlingen toegankelijk moet zijn. Maar onderwijs wordt steeds digitaler.
Als een laptop noodzakelijk is om taken te maken, lessen te volgen en toegang te krijgen tot schoolplatformen, is die laptop dan nog wel een gewone aankoop van het gezin?
Of is hij intussen vergelijkbaar geworden met een leerboek?
En als het antwoord op die laatste vraag ja is, waarom ligt de kost dan bij de ouders?
Voor sommige gezinnen is 800 of 1.000 euro gewoonweg niet beschikbaar.
Een huurformule kan de onmiddellijke factuur verlagen, maar maakt het toestel op lange termijn vaak duurder. En wie meerdere kinderen heeft, vermenigvuldigt die kosten.
Daarmee dreigt digitalisering precies het probleem te creëren dat ze eigenlijk zou moeten helpen oplossen: ongelijkheid.
Een leerling die thuis over een krachtige laptop beschikt, staat er anders voor dan een leerling wiens ouders elke maand moeten puzzelen om de schoolfactuur betaald te krijgen.
Demir: scholen moeten als een goede huisvader handelen
Het kabinet van minister Demir nuanceert intussen de oorspronkelijke boodschap. Scholen die boven de referentieprijs gaan, worden niet automatisch gesanctioneerd. De bedragen zijn volgens het kabinet richtinggevend en de computerprijzen zijn intussen veranderd.
Er zullen controles komen. Scholen moeten hun facturen aan de administratie bezorgen en kunnen worden aangesproken wanneer blijkt dat ze niet zorgvuldig met de middelen omgaan.
Maar ook dat roept vragen op.
Als scholen zelf mogen bepalen hoeveel ze uiteindelijk aanrekenen en de referentieprijs slechts richtinggevend is, hoeveel bescherming biedt die dan aan ouders?
De overheid zegt dat scholen als een 'goede huisvader' met de middelen moeten omgaan.
Een redelijke eis.
Maar ouders mogen misschien dezelfde vraag stellen aan de overheid: gaat zij als een goede huisvader om met het geld dat gezinnen aan onderwijs moeten besteden?
De prijs van een laptop is meer dan een technische kwestie
Het debat gaat uiteindelijk niet over de vraag of een laptop 575, 700 of 900 euro mag kosten.
Het gaat over de vraag wie de rekening betaalt voor de digitalisering van ons onderwijs.
Als scholen digitale toestellen noodzakelijk maken, moet daar een transparant, betaalbaar en controleerbaar systeem tegenover staan. Ouders moeten weten wat ze betalen, waarom ze dat betalen en welke alternatieven bestaan.
En vooral: de financiële situatie van de ouders mag nooit bepalen welke digitale mogelijkheden hun kinderen op school krijgen.
De overheid werkt inmiddels aan nieuwe referentieprijzen. Die zouden pas vanaf het schooljaar 2027-2028 gelden.
Nog een jaar slapen dus, en dan zijn we er?
(Foto: Pixabay)