“Dank u voor uw dienst, hier is 12% minder pensioen.”
De nieuwe pensioenplannen van de regering-De Wever worden geserveerd als een onvermijdelijke ingreep om de vergrijzingsfactuur te beheersen. In de praktijk komt het neer op één duidelijke boodschap: wie gewerkt heeft, zal minder krijgen. De Studiecommissie voor de Vergrijzing rekende het uit: vooral ambtenaren zullen de hervorming voelen. Op termijn levert deze groep gemiddeld 11,9 procent pensioen in. Ook werknemers ontsnappen niet: zij zien hun pensioen dalen met gemiddeld 9,2 procent tegen 2070.
Niet minder uitgaven, maar minder terugbetaling
De vergrijzing is geen nieuw probleem, en de bijhorende kosten evenmin. De sociale uitgaven – pensioenen, gezondheidszorg en sociale bijstand – stijgen structureel: van 25,8 procent van het bbp vandaag naar 27,5 procent in 2070. Toch stelt de studiecommissie dat de geplande hervormingen deze stijging met bijna de helft afremmen. Ten opzichte van eerdere berekeningen is de budgettaire impact gedaald van 3,6 naar 1,7 procentpunt van het bbp.
Het verschil zit hem in wat niet meer wordt uitgekeerd. De structurele maatregelen zorgen ervoor dat de overheid straks minder pensioen hoeft uit te betalen. Geen kostenbesparing door efficiëntie, maar gewoon: minder geld voor wie op pensioen vertrekt. Wie het systeem decennia lang mee heeft gefinancierd, krijgt straks een kleinere terugbetaling — in een land dat systematisch tot de hoogste belastingdruk ter wereld behoort.
De spelregels tijdens de tweede helft herschreven
Belangrijkste ingrepen zijn onder andere:
- De afschaffing van preferentiële tantièmes, waardoor ambtenaren hun pensioen minder voordelig kunnen berekenen.
- Een verhoging van de pensioenleeftijd in sommige speciale stelsels.
- Een bonus-malusregeling voor wie vroeger of later met pensioen wil.
- De (tijdelijke) opschorting van de welvaartsenveloppe, waardoor pensioenen niet automatisch mee stijgen met de levensstandaard.
Al deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat de verhouding tussen het gemiddeld pensioen en het gemiddeld beroepsinkomen daalt. Vooral voor ambtenaren — ooit de stabiele middenklasse van de overheid — is dit een fundamentele breuk met de verwachting waarop hun loopbaan gebaseerd was. De overheid herschrijft de spelregels in het midden van het spel. Niet om beter te verdelen, maar om minder uit te keren.
Pensioen: geen gunst, maar een afspraak
Een pensioen is geen cadeau. Het is geen maandelijkse aalmoes waarvoor men op dankbare knieën moet zakken richting staatskas. Het is de uitgestelde terugbetaling van bijdragen die gedurende een heel beroepsleven verplicht zijn ingehouden op loon of wedde. De Vlaamse werknemer — ambtenaar of bediende — draagt gemiddeld meer dan 50 procent van zijn inkomen af via belastingen en sociale bijdragen. De overheid heeft dat geld jarenlang beheerd, niet geschonken.
De huidige hervorming herdefinieert het pensioen als een luxeprobleem dat "beteugeld" moet worden. Terwijl het in wezen gaat over een kernbelofte van de sociale zekerheid: wie werkt, bouwt iets op. Wat men daar straks voor terugkrijgt, wordt opnieuw een stuk kleiner. En dan is het geen kwestie van dankbaarheid, maar van vertrouwen dat stilaan verdampt.
Inleveren wordt het nieuwe normaal. Zeker voor wie gehoopt had dat een pensioen een eindpunt was — geen nieuwe onderhandeling.
(Foto: PD)