Tot 25 procent minder pensioen voor wie vroeger stopt.
Terwijl zijn partijgenoot Theo Francken met een smile van oor tot oor “munitie, munitie, munitie” gaat shoppen, sleutelt minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) aan het financieel sanctiemechanisme voor wie vroeger met pensioen gaat — de zogenaamde malus. Sterke jan wil de spelregels in het midden van het spel herzien, niet via een algemene lijn, maar volgens een nieuwe, generatiegebonden logica. Concreet: hoe jonger je bent, hoe zwaarder je later financieel gestraft wordt als je het waagt je pensioen iets vroeger op te nemen dan de wet strikt toelaat.
Een maatregel die vooral vrouwen, deeltijdse werkers en wie ooit onderbroken werkte, bijzonder hard zal raken. En die, ondanks het technocratisch taalgebruik, de facto neerkomt op een ruggengraatvergruizing van het sociale contract tussen burger en overheid.
Wat stelt Jambon precies voor?
De officiële pensioenleeftijd ligt op 66 jaar, met een geplande verhoging naar 67 tegen 2030. De realiteit toont echter dat de meeste Belgen nog steeds rond hun 63ste stoppen met werken. De federale regering wil die kloof dichten door mensen die voortijdig stoppen te bestraffen.
Volgens het regeerakkoord zou de malus vanaf 2026 stijgen tot 2 procent per jaar dat iemand te vroeg met pensioen gaat. In 2030 zou dat 4 procent worden en in 2040 zelfs 5 procent. Maar Jambon wil nu sneller schakelen en tegelijk meer “fijnmazigheid” inbouwen door de strafpercentages afhankelijk te maken van het geboortejaar.
Zijn voorstel, dat via ‘Sudpresse’ naar buiten kwam, voorziet het volgende:
- Geboren tussen 1961 en 1963: 2% malus per jaar te vroeg pensioen
- Geboren tussen 1964 en 1972: 4% malus
- Geboren vanaf 1973: 5% malus
Een voorbeeld:
Sophie, geboren in 1967, heeft een loopbaan van 42 jaar achter de rug waarvan het merendeel in deeltijdse tewerkstelling. In 2027, op haar 63ste, wil ze met pensioen gaan — drie jaar vóór de dan geldende wettelijke pensioenleeftijd van 66.
Volgens het huidige systeem uit het regeerakkoord zou Sophie per jaar dat ze te vroeg stopt, 2 procent van haar pensioen verliezen. Voor haar betekent dat een totale korting van 6 procent op haar maandelijkse pensioenuitkering.
Maar onder de hervorming van minister Jambon — waarbij het strafpercentage gekoppeld wordt aan het geboortejaar — valt Sophie in de categorie die 4 procent per jaar verliest. Haar totale malus stijgt zo naar 12 procent.
Concreet: als haar pensioen vandaag met 120 euro zou dalen, wordt dat onder de nieuwe regeling 240 euro per maand. Een verschil dat in haar geval neerkomt op meer dan 30.000 euro minder over een gemiddelde pensioenloopbaan. En dat voor een beslissing die ze jaren geleden nam, binnen de toen geldende regels.
Redenering van Jambon: zo voorkom je dat mensen nog snel met pensioen gaan net vóór de strengere regels van kracht worden. De zogenaamde “anticipatiegolf” moet vermeden worden. Maar tegelijk betekent dit ook dat wie jonger is, zwaarder wordt gepakt — terwijl die generatie exact nul inspraak had in de spelregels van haar loopbaan.
Moeilijk ontsnappen, zeker voor vrouwen
Voor wie toch op tijd zijn carrière volmaakt, blijft er nog een achterpoortje: minstens 7.020 effectief gewerkte dagen - 35 jaar deeltijds werk à rato van 156 dagen per jaar - geven recht op een malusvrije exit. Maar in de praktijk zijn het net de meest kwetsbare werknemers — mensen met onderbrekingen wegens zorg, ziekte, tijdelijke werkloosheid — die dat cijfer nooit zullen halen.
De cijfers van de Vergrijzingscommissie spreken voor zich: 50 procent van de vrouwelijke werknemers zal door deze regeling getroffen worden, tegenover 22 procent van de mannen. Want het is nu eenmaal nog steeds vooral de vrouw die carrière onderbreekt voor kinderen, mantelzorg of deeltijdswerk. Daar bovenop dreigt diezelfde vrouw nu dus dubbel gestraft te worden.
Een sociaal bloedbad dus, vermomd als “hervorming”.
Vertrouwen is geen Excelbestand
De kritiek laat dan ook niet op zich wachten. Vakbonden en sociale organisaties noemen het voorstel retroactief en discriminerend. Mensen worden gestraft voor keuzes die ze jaren geleden maakten in vertrouwen op een bepaald pensioenstelsel. Keuzes die vandaag niet meer omkeerbaar zijn, en die toen volledig binnen de wettelijke grenzen vielen.
Ook binnen de regering-De Croo rommelt het. Minister Frank Vandenbroucke (Vooruit) zou intern al laten verstaan hebben dat het plan van Jambon geen draagvlak heeft. CD&V-voorzitter Sammy Mahdi schuift dan weer een alternatief voorstel naar voren: hij wil dat ziekteperiodes, tijdelijke werkloosheid en zorgverloven wél meetellen als gewerkte dagen. “Mensen met pech moeten niet dubbel gestraft worden,” luidt het.
Daarmee herbevestigt Mahdi iets wat tot voor kort vanzelfsprekend leek: solidariteit met wie kwetsbaarder is.
Van rechtszekerheid naar regeringswillekeur
Maar boven alles stelt het voorstel van Jambon een fundamentele vraag: hoeveel vertrouwen mag een burger nog stellen in een systeem dat de regels onderweg herschrijft?
Een pensioensysteem is per definitie een langetermijncontract tussen overheid en burger. De burger werkt decennialang, betaalt belastingen en sociale bijdragen, stelt zijn verwachtingen bij, maakt keuzes, offert soms kansen op — alles in ruil voor een zekere afloop: een pensioen waarop je redelijkerwijs kan rekenen.
Als die afloop plots wordt veranderd op basis van je geboortejaar, terwijl je al aan het eind van je loopbaan zit, dan is dat niet langer beleid. Dat is contractbreuk.
En erger nog: het is een vorm van institutioneel opportunisme waarbij één generatie wordt opgeofferd om de hervormingsvertraging van vorige regeringen te compenseren. Want wie deze regeling verdedigt met de boodschap “het moet nu eenmaal gebeuren”, vergeet gemakshalve te zeggen dat het ook eerder had kunnen gebeuren — maar toen politiek niet opportuun was.
En het geld? Dat gaat naar…?
Daarmee komen we bij de olifant in de kamer. Waarom ? Waarom net nu, en waarom zo drastisch? Het antwoord is eenvoudig: geld. De federale begroting zakt steeds dieper weg in het rood. De defensie-uitgaven swellen aan. Van zorg tot klimaat, alles schreeuwt om investeringen. En dus moeten de sociale uitgaven naar beneden.
Dat heet dan ‘verantwoordelijkheid nemen’. Maar de vraag blijft: welke verantwoordelijkheid neemt een overheid die in het midden van het spel de regels verandert?
En nog belangrijker: hoe aanvaardbaar is het dat net díe besparingen dan mee dienen om bijvoorbeeld nieuwe wapens aan te kopen?
Is het nog normaal dat we straks onze eigen pensioenrechten moeten inleveren, zodat we onze eigen tanks kunnen financieren?
Of wordt het tijd om luidop te vragen: hoe pervers is het om mensen te laten betalen voor hun eigen afbouw — én hun bewapening tegelijk?
(Foto: Bert Van Den Broucke/ /Photo News)