Oude jeans worden designertassen, afgedankte stoffen veranderen in unieke jurken en textielresten krijgen een tweede leven. Upcycling oogt als het antwoord op de verspilling van de mode-industrie, maar zorgt ook voor een vreemde paradox: hoe kan kleding die van afval wordt gemaakt uiteindelijk een luxeproduct worden?
Een oude jeans die een handtas wordt, een stapel afgedankte stoffen die eindigt als een jurk of een versleten hemd dat een tweede leven krijgt als designstuk: upcycling maakt van materiaal dat zijn economische waarde heeft verloren iets nieuws. Het resultaat kan verrassend mooi zijn en het idee erachter is moeilijk te bestrijden. Waarom nieuwe grondstoffen gebruiken als er al zoveel textiel bestaat?
Toch is er een ongemakkelijke kant aan de circulaire moderevolutie. Een kledingstuk redden van de afvalberg is één ding; er een rendabel product van maken dat een breed publiek kan betalen, is iets anders. Upcycling vraagt vaak meer handenarbeid, creativiteit en tijd dan conventionele productie. Het materiaal is misschien goedkoop of zelfs gratis, maar het uitzoeken, reinigen, versnijden, herstellen en opnieuw samenstellen kost geld.
Zo ontstaat een merkwaardige paradox: kleding die vertrekt van afval kan eindigen als luxeproduct. Wie het kan betalen, koopt originaliteit én een verhaal over duurzaamheid. Wie vooral naar de prijs moet kijken, blijft aangewezen op de goedkope kledingketens die het afvalprobleem mee hebben veroorzaakt.
Van oude jeans tot nieuwe jurk
In België is upcycling al lang meer dan een hippe term voor een oude broek met een nieuw lapje stof. Brusselse ontwerpers en kleinere labels bouwen collecties rond restmaterialen, bestaande kleding en stoffen die anders ongebruikt zouden blijven.
Neem Méson, het Belgische label van Annabelle en Thaïs. Oude jeans veranderen er in tassen, stropdassen in tops en handdoeken in jurken. De productie blijft in België, tussen Brussel en Mechelen. Elk stuk krijgt bovendien een eigen geschiedenis die via een QR-code toegankelijk wordt gemaakt. De klant koopt dus niet alleen het eindproduct, maar krijgt ook zicht op de weg ernaartoe.
Ook Façon Jacmin, het Belgische denimmerk van de zussen Alexandra en Ségolène Jacmin, bewijst dat hergebruik niet hoeft te betekenen dat mode er onafgewerkt of geitenwollensokkerig uitziet. Het merk bouwde een herkenbare esthetiek op rond denim en upcycling.
Bij Conni Kaminski draait het dan weer om het herdenken van bestaande materialen en kledingconstructies. De Brusselse ontwerpster combineert onder meer deconstructie, asymmetrie en upcycling in collecties die lokaal worden gemaakt.
Upcycling heeft dus geen vaste stijl. Het kan speels, experimenteel, elegant of uitgesproken luxueus zijn. De overeenkomst zit vooral in het vertrekpunt: niet automatisch nieuw materiaal bestellen, maar eerst kijken wat er al beschikbaar is.
Gratis afval bestaat niet
Dat klinkt eenvoudig, maar restpartijen zijn niet altijd onmiddellijk bruikbaar. Stoffen moeten worden geselecteerd op kwaliteit, kleur en samenstelling; tweedehandskleding moet worden gecontroleerd en vaak aangepast. Bovendien is er van één materiaal meestal maar een beperkte hoeveelheid beschikbaar. Een ontwerp kan daardoor niet zomaar in honderden identieke exemplaren worden geproduceerd.
Dat maakt upcycling moeilijker schaalbaar dan klassieke confectie. Een grote modeketen werkt met voorspelbare stoffen, vaste patronen, grote volumes en gestroomlijnde productielijnen. Een onafhankelijke ontwerper die werkt met wisselende restmaterialen, begint bij elk nieuw stuk gedeeltelijk opnieuw.
Het is dan ook te eenvoudig om de prijs van een upcycled kledingstuk naast die van een goedkoop nieuw kledingstuk te leggen en te besluiten dat de duurzame maker te veel vraagt. De prijs weerspiegelt vaak de hoeveelheid handwerk, de beperkte oplage en lokale productie.
Tegelijk mag het duurzame verhaal geen vrijgeleide worden om eender welke prijs te vragen. De centrale kwestie is dus niet alleen of een kledingstuk afval voorkomt, maar ook wie de waarde van dat afval weet te verzilveren. De maker moet zijn tijd betaald krijgen, de winkel moet kunnen overleven en de consument moet bereid zijn meer neer te tellen voor een uniek stuk.
Wanneer afval een statussymbool wordt
De mode-industrie heeft een opmerkelijk talent om kritiek op zichzelf om te zetten in een nieuw verkoopargument. Zodra consumenten zich zorgen maken over overproductie en afval, verschijnen er collecties met gerecycleerde materialen, circulaire ambities en zorgvuldig opgebouwde duurzaamheidsverhalen.
Dat hoeft niet automatisch greenwashing te zijn. Grote bedrijven beschikken over middelen, logistiek en verkoopkanalen waarmee hergebruik op grotere schaal mogelijk wordt. De vraag is alleen of het om een werkelijk ander bedrijfsmodel gaat of om een beperkte duurzame collectie terwijl de rest van de kledingmachine op hetzelfde tempo blijft doordraaien.
Daar zit het verschil tussen een circulair product en een circulair bedrijf. Een jas uit gerecycleerde vezels kan een stap vooruit zijn, maar zegt weinig over de totale hoeveelheid kleding die een merk produceert of hoe lang die kleding uiteindelijk wordt gedragen.
Bovendien dreigt de unieke, handgemaakte creatie een luxeartikel te worden voor mensen die duurzaamheid kunnen betalen. De consument met een ruim budget koopt een tas uit geredde jeans of een jas uit gerecycleerde stoffen; de consument met een beperkt budget koopt een goedkoop nieuw exemplaar.
De oplossing is niet om de duurzame maker te verwijten dat hij te duur is. De interessantere vraag is hoe hergebruik betaalbaarder kan worden zonder het werk van ontwerpers en naaisters onder de kostprijs te laten verdwijnen.
Misschien moeten we onze oude kleren gewoon dragen
En daar komen we bij een veel minder sexy oplossing. Niet ieder kledingstuk hoeft namelijk eerst door een ontwerper uit elkaar gehaald en als hippe tas weer in elkaar gezet te worden. Soms is het ecologisch én economisch verstandiger om een kledingstuk gewoon langer te dragen, te herstellen of tweedehands door te verkopen.
Onderzoekers van KU Leuven en Utrecht University bestudeerden in 2024 de kledingkasten van 156 volwassenen in Vlaanderen. Gemiddeld telde zo'n garderobe maar liefst 198 kledingstukken. Slechts 2 procent daarvan was tweedehands, terwijl 22 procent het afgelopen jaar niet eens was gedragen.
Nog opvallender: van die ongebruikte kleding verkeerde 75 procent nog in voldoende goede staat om opnieuw te worden gebruikt.
We hebben dus blijkbaar geen gebrek aan grondstoffen voor circulaire mode. Een behoorlijk deel ervan hangt gewoon thuis in de kast te wachten op een gelegenheid die wellicht nooit meer komt.
Die cijfers tonen ook waarom upcycling maar één deel van het antwoord is. Een goed kledingstuk langer dragen, herstellen of doorgeven kan nuttiger zijn dan het eerst volledig uit elkaar te halen om er vervolgens een duur nieuw product van te maken. Upcycling is vooral interessant wanneer het oorspronkelijke kledingstuk niet meer gewoon kan worden hergebruikt of wanneer de herwerking de levensduur werkelijk verlengt.
De afvalberg verdwijnt niet door een mooi label
Upcycling verdient dus een plaats in de toekomst van de mode, maar het is geen wondermiddel waarmee de industrie zichzelf met één creatieve ingreep kan schoonwassen. Het kan afval verminderen, lokale vakkennis ondersteunen en kleding een eigen karakter geven. Het kan evengoed uitgroeien tot een exclusief product voor mensen die zich de hogere prijs kunnen veroorloven.
De echte maatstaf is daarom niet hoeveel merken plots een collectie met gerecycleerde stoffen lanceren, maar hoeveel materiaal werkelijk uit de afvalstroom wordt gehouden en hoe lang kleding daarna meegaat.
Misschien is dat de ongemakkelijke waarheid achter de duurzame modehype: een afvalberg wordt niet kleiner omdat er een mooi verhaal op een kledinglabel staat. Daarvoor moeten we minder nieuw produceren, meer herstellen en kleding langer gebruiken.
En voor wie dat allemaal wat ingewikkeld klinkt, bestaat er gelukkig nog een bijzonder revolutionair circulair concept: die broek die al drie jaar in je kast ligt gewoon nog eens aantrekken.
(Foto: Meson Brussels)