Hoeveel schietpartijen zijn nog nodig voor er echt wordt ingegrepen?
57 schietpartijen in amper zeven maanden. Twee doden, 21 gewonden. En vooral: opnieuw de vaststelling dat geweld, drugs en vuurwapens steeds nadrukkelijker deel uitmaken van het Brusselse straatbeeld. De cijfers zijn hard. De politieke reactie blijft opvallend zacht.
Brussel telt zijn schietpartijen ondertussen zoals andere steden hun files of regenbuien tellen. In de eerste zeven maanden van 2026 werden in de negentien Brusselse gemeenten al 57 schietpartijen geregistreerd. Daarbij vielen twee doden en 21 gewonden.
Als het huidige tempo aanhoudt, stevent het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opnieuw af op een bijzonder hoog jaarcijfer. In 2025 waren er 101 schietpartijen, met acht doden en 43 gewonden.
Dat zijn geen statistieken meer die je met een schouderophalen kunt wegzetten als ‘incidenten’. Het gaat om een structureel veiligheidsprobleem.
Brussel, een narcostad?
Donald Trump gebruikte eerder het begrip ‘hellhole’ voor Brussel, een term waarmee hij de Belgische hoofdstad afschilderde als een stad die met ernstige problemen kampt. De formulering was grof en provocerend. Maar de vraag die zich vandaag opnieuw opdringt, is minder comfortabel: geven we met onze eigen aanpak niet steeds meer munitie aan wie Brussel als een ontspoorde stad wil afschilderen?
57 schietpartijen voor eind juli zijn moeilijk nog als een reeks toevallige ontsporingen te beschouwen. Zeker omdat een aanzienlijk deel ervan volgens de beschikbare informatie verband houdt met het drugsmilieu.
In januari werd in Sint-Joost-ten-Node een 50-jarige man in de rug geschoten. In juli werd in Sint-Jans-Molenbeek opnieuw een man dodelijk neergeschoten. In beide dossiers wordt een link met het drugsmilieu onderzocht.
En daar zit precies de kern van het probleem.
Hoe lang blijven we dit accepteren?
De Brusselse procureur des Konings Julien Moinil waarschuwde eerder al dat iedereen slachtoffer kan worden van een schietpartij. Dat is misschien wel de meest verontrustende vaststelling: het geweld beperkt zich niet langer tot een afgebakende wereld waarin criminelen elkaar onderling bestrijden.
Een stad waarin vuurwapens worden gebruikt om conflicten in het drugsmilieu uit te vechten, verandert. Een stad waarin omwonenden, voorbijgangers en toevallige getuigen kunnen worden meegesleurd in dat geweld, verandert nog sneller.
Dan volstaat het niet langer om na elk incident een onderzoek te openen, een perimeter af te zetten en te wachten op het volgende incident.
Harder? Ja. Maar vooral consequenter.
De vraag is dus niet alleen hoeveel politieagenten er nodig zijn. De echte vraag is wat we bereid zijn te doen wanneer daders worden geïdentificeerd en veroordeeld.
Durven we het probleem bij naam te noemen? Durven we criminele netwerken daadwerkelijk ontmantelen? Durven we drugsgeld, wapens, voertuigen en andere middelen systematisch af te pakken? En durven we ervoor zorgen dat wie met een vuurwapen de straat opgaat, daar ook een ernstige en voelbare straf voor krijgt?
Dat heeft niets met ‘hard zijn om hard te zijn’ te maken. Het gaat over de geloofwaardigheid van de rechtsstaat.
Want een samenleving kan wetten hebben zoveel ze wil. Als criminelen de indruk krijgen dat de pakkans beperkt is, de procedures eindeloos duren en de gevolgen beheersbaar blijven, wordt de wet uiteindelijk niet meer ervaren als een grens, maar als een hinderpaal waar je omheen kunt werken.
De middelvinger van de straat
Het meest cynische aan de huidige situatie is misschien wel dat de samenleving steeds opnieuw wordt gevraagd begrip te hebben voor de complexiteit van het probleem, terwijl sommige criminelen intussen een middelvinger opsteken naar diezelfde samenleving.
Schieten op straat is geen ‘maatschappelijke uitdaging’. Een drugsoorlog is geen sociaal experiment. Wie met een vuurwapen een andere mens neerschiet, heeft een fundamentele grens overschreden.
Daar mag de boodschap van overheid en gerecht dan ook glashelder zijn: dit wordt niet getolereerd.
Brussel hoeft geen vestingstad te worden. Maar Brussel mag evenmin een stad worden waar inwoners zich moeten afvragen wanneer het volgende schot valt.
57 schietpartijen in zeven maanden zouden daarom geen aanleiding mogen zijn voor nóg een debat over cijfers, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Ze zouden vooral de vraag moeten oproepen: wat gaan we nu anders doen?
Als 57 schietpartijen nog altijd niet volstaan om het beleid fundamenteel bij te sturen, hoeveel zijn er dan wél nodig?
(Foto: P-magazine)