Europa heeft alweer een nieuwe kronkel bedacht voor onze vier wielen. Terwijl het verbod op verbrandingsmotoren tegen 2035 eerst wél, dan weer niet, dan weer ergens half afgeschaft werd, duwen ze nu stilletjes een gloednieuwe voertuigcategorie door onze strot: de M1E.
Het idee? Een soort mini-EV’s van maximaal 4 meter 20 lang, volledig elektrisch én, hou je vast, verplicht gebouwd in Europa. Brussel ziet het als dé oplossing voor propvolle steden, torenhoge emissiedoelen en een auto-industrie die langzaam naar China wegvloeit. Wij zien het eerder als een zoveelste bureaucratisch experiment waarvan niemand precies weet waar het eindigt.
In de praktijk komt het erop neer dat er een nieuwe klasse tussen microcars zoals de Citroën Ami en gewone personenwagens wordt geduwd. Modellen zoals de Fiat 500e, de nieuwe Renault 5 en zelfs een sportieve Alpine A290 zouden binnen de lijntjes vallen. Maar de populaire Dacia Spring, net de goedkoopste EV, vliegt buiten omdat hij in China wordt gebouwd. Een duidelijke politieke boodschap: elektrisch mag, maar alleen als het Europese jobs oplevert. Een nobel streven, al wringt het een beetje dat betaalbaarheid dan blijkbaar minder telt.
De EU claimt dat M1E-wagens steden leefbaarder moeten maken, files verkleinen en de overstap naar elektrisch rijden toegankelijker moeten maken. Maar onder de motorkap speelt vooral rekentrucs-politiek. Elke zo’n compacte EV telt immers voor 1,3 auto’s in de berekening van de gemiddelde CO₂-uitstoot van een constructeur. Anders gezegd: wie kleine elektrische stadswagentjes verkoopt, krijgt emissiekorting en minder Europese boetes. Het is dus niet de consument die verleid moet worden, maar de autosector die gesmeekt wordt om vooral compact en lokaal te produceren.
Of die auto’s ook betaalbaarder worden, hangt af van de lidstaten. Europa creëert enkel het vakje; subsidies of belastingvoordelen mogen, maar moeten niet. Vlaanderen kan dus opnieuw een premie bovenhalen, of net niet. Het wordt dus afwachten hoe de politiek het spel speelt. En vooral: of consumenten straks effectief 25.000 euro gaan neerleggen voor een elektrische auto ter grootte van pakweg een Volkswagen Polo.
Het idee op zich is niet slecht. Kleine, lichte elektrische auto's gebruiken minder grondstoffen. Maar zoals wel vaker in Brussel ruikt dit dossier naar gehaaste powerpointlogica, waarbij politici iets nieuws willen lanceren voordat bestaande problemen zijn opgelost. Het gevaar is reëel dat constructeurs dure kleine EV’s bouwen die mensen zich nog steeds niet kunnen veroorloven, waarna men alsnog teruggrijpt naar subsidies en de factuur bij Jan Modaal belandt.
Maar goed, we geven het segment het voordeel van de twijfel. Misschien rijden we binnen tien jaar allemaal rond in compacte elektrische koekendozen die fluisterstil door de stad glijden. Misschien blijkt het een regeltechnische kemel groter dan de fiscale saga rond plug-in hybrides. Eén ding is zeker: het hoofdstuk elektrische auto’s zal nog veel verrassende wendingen kennen.