We hebben vorig jaar een week met de Lancia Ypsilon rondgereden en dat was, zacht uitgedrukt, een aparte ervaring. Niet omdat die wagen plots de referentie werd in zijn segment, maar omdat hij iets deed wat je vandaag nog zelden meemaakt met een compacte hatchback: hij lokte reacties uit. Mensen keken, staken hun duim op, spraken je aan op een parking en vroegen wat het precies was. De rode draad in al die gesprekken was telkens dezelfde: “Die is eigenlijk wel schoon.”
En toch gebeurt er daarna iets vreemds, want zodra het moment komt waarop mensen effectief een keuze moeten maken en hun portefeuille bovenhalen, verdwijnt diezelfde Ypsilon plots van het toneel. De realiteit is dat de verkoopcijfers van het model allesbehalve indrukwekkend zijn, en dat zowel in België als in Italië, waar het merk nochtans historisch een stevige achterban heeft. Dat contrast — veel interesse, weinig kopers — maakt van deze auto een bijzonder interessant geval.
Het probleem ligt niet zozeer bij wat de Ypsilon is, maar eerder bij wat hij probeert te zijn. Stellantis heeft duidelijk gekozen voor een positionering waarbij de wagen meer moest zijn dan zomaar een praktische stadsauto. Hij moest een designobject worden, een stukje Italiaanse flair op vier wielen, iets dat zich onderscheidt van de grijze massa. Dat vertaalt zich in een opvallend interieur, met details die je eerder verwacht in een showroom voor designmeubelen dan in een B-segmenter. Het beroemde ‘koffietafeltje’ in het interieur is daar misschien wel het meest sprekende voorbeeld van: charmant, origineel en tegelijk een tikje over the top.
Alleen blijkt dat net het punt waarop het begint te wringen. Want hoe graag mensen ook zeggen dat ze iets anders willen, uiteindelijk kiezen ze verrassend vaak voor het vertrouwde. Onder dat designjasje blijft de Ypsilon immers nauw verwant aan modellen zoals de Peugeot 208, en dat maakt het voor veel kopers moeilijk om de meerprijs en het uitgesproken karakter te verantwoorden. Het resultaat is een auto die bewondering oogst, maar zelden de deal sluit.
Dat lijkt men bij Lancia intussen ook te beseffen, want de nieuwste zet voelt als een duidelijke koerswijziging. De Ypsilon wordt teruggebracht naar een eenvoudiger, klassieker recept, waarbij het design iets minder op de voorgrond staat en de nadruk meer komt te liggen op toegankelijkheid. Concreet betekent dat de komst van een instapversie met een bescheiden driecilinder benzinemotor, een handgeschakelde versnellingsbak en een prijs die, in Italië althans, een paar duizend euro lager ligt. Het koffietafeltje verdwijnt, de franjes worden afgeschaafd en wat overblijft is een auto die minder wil imponeren en meer wil overtuigen.
De vraag is natuurlijk of dat voldoende zal zijn om het tij te keren. Want wat deze hele situatie vooral duidelijk maakt, is dat smaak alleen niet volstaat om een succesverhaal te schrijven. Mensen appreciëren design, maar ze kopen rationaliteit. Ze willen iets dat klopt in hun hoofd, niet alleen iets dat hen aanspreekt op het eerste gezicht. De Ypsilon zat tot nu toe ergens tussen die twee werelden in, en dat is vaak de moeilijkste positie om te verdedigen.
Toch blijft het een auto met karakter, en dat is op zich al zeldzaam genoeg in dit segment. Misschien is het net dat wat hem uiteindelijk alsnog kan redden, als Lancia erin slaagt om die charme te combineren met een prijs en positionering die beter aansluiten bij wat kopers effectief zoeken. Want hoe je het ook draait of keert: een wagen waar mensen spontaan op reageren, heeft iets in handen dat je niet zomaar kan construeren met cijfers en spreadsheets.
Alleen moet dat gevoel uiteindelijk ook vertaald worden naar een handtekening onder een verkoopcontract. En daar wringt voorlopig nog altijd het schoentje.