Naamswijziging als uitweg: Diependaele herverpakt lekker zijn eigen vergoedingen.
De Vlaamse regering presenteert een nieuwe loonmaatregel als een duidelijke besparing, maar wie door de verpakking heen kijkt, ziet vooral een herschikking. Vlaamse ministers leveren wel 8 procentjes van hun loon in, maar de veelbesproken woon- en huishoudpremie verdwijnt niet. Ze wordt simpelweg ondergebracht in een nieuwe, vaste onkostenvergoeding.
De commotie ontstond eerder dit jaar, toen bekend raakte dat Vlaamse ministers boven op hun maandloon van ruim 21.000 euro bruto ook een forfaitaire vergoeding ontvingen voor huisvesting en huishouden. Samen goed voor 1.115 euro per maand, vrij te besteden en al jaren niet geïndexeerd. Politiek werd die regeling steeds moeilijker verdedigbaar, zeker in tijden waarin van burgers besparingen en offers worden gevraagd.
Eén pot, andere naam
Na maanden uitstel werd laat op de ministerraad beslist om de bestaande vergoedingen samen te voegen. De aparte woon- en huishoudpremie wordt opgeheven in naam, maar het bedrag blijft behouden binnen één vaste maandelijkse onkostenvergoeding. Daarin zit voortaan ook de jaarlijkse representatievergoeding verwerkt. Voor de minister-president en de viceminister-presidenten komt dat neer op ongeveer 1.530 euro per maand, voor de overige ministers op zo’n 1.320 euro.
Formeel is het systeem vereenvoudigd en transparanter gemaakt. Inhoudelijk blijft de vergoeding echter bestaan. De politieke boodschap dat bepaalde premies “verdwijnen”, is dus papieren larie en apenkool.
Wel loonverlies
De Vlaamse ministers snijden wel een beetje in hun wedde. Net als op federaal niveau leggen ze zichzelf vier indexsprongen van telkens 2 procent op, goed voor een bijkomende loonverlaging van 8 procent tegen 2029. Geen verlaging van hun loon nu dus, maar ze doen even niet mee met de indexeringen. Samen met eerdere beslissingen loopt de totale inlevering op tot 16 procent tegenover het oorspronkelijke loon. Dat levert de Vlaamse begroting op termijn een besparing van ruim 200.000 euro op. Daar kan Theo Francken net geen honderd mortiergranatien voor kopen.
Volgens de regering bewijst dat dat ook de uitvoerende macht haar verantwoordelijkheid neemt. En die opmerking bewijst dan weer dat politiek en humor niet samengaan. De dames en heren laten tot slot ook nog in alle deemoed weten dat bepaalde bijkomende voordelen, zoals door de overheid ter beschikking gestelde appartementen voor topministers, tegen het einde van de legislatuur verdwijnen.
Perceptie blijft knellen
Toch blijft het ongemak groot. Niet zozeer omdat ministers geen loon zouden mogen verdienen, maar omdat het onderscheid tussen loon en vergoeding voor veel burgers steeds abstracter wordt. Door gevoelige premies niet af te schaffen maar te hernoemen, ontstaat de indruk dat politieke schade wordt beperkt met technische ingrepen, eerder dan met duidelijke keuzes.
De kern van de kritiek is dan ook niet juridisch, maar moreel en communicatief. In een context van besparingen, wooncrisis en koopkrachtverlies is elke constructie die oogt als een handigheidje moeilijk te verkopen. Transparantie is één zaak, geloofwaardigheid een andere. En precies daar wringt het schoentje.
(Foto: bewerkt…Bert Van Den Broucke/Photo News)