Van grootspraak naar realiteit: de halvering van de vergrijzingskosten, blijkt bij doorrekening een stuk minder indrukwekkend.
Maandenlang werd de pensioenhervorming van de regering-De Wever verkocht als een noodzakelijke en doeltreffende ingreep. Minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) profileerde zich daarbij als de man die het systeem eindelijk “betaalbaar” zou maken.
De cijfers moesten het gelijk bewijzen. De stijgende kost van de vergrijzing zou drastisch worden afgeremd — volgens de communicatie zelfs gehalveerd.
De nieuwe doorrekening van het Planbureau fluit dat sprookje nu terug.
De hervorming doet de meerkost van de vergrijzing dalen met 1,3 procent van het bbp tegen 2070. Dat is aanzienlijk, maar tegelijk ook 0,3 procentpunt minder dan eerder werd voorgesteld. Geen halvering dus, maar een correctie met een derde.
Creatief rekenen als beleid
Dat verschil komt niet uit het niets. De regering voerde de voorbije maanden sociale correcties door onder druk van vakbonden, waardoor het besparingseffect afzwakt.
Daarnaast zijn een aantal gevoelige maatregelen — zoals het afschaffen van bepaalde pensioenstelsels — nog niet eens beslist en dus ook niet meegerekend. De eerdere communicatie steunde dus deels op hypothetische ingrepen die vandaag niet op tafel liggen.
Jambon probeert de cijfers alsnog te kaderen door te verwijzen naar een “structurele verbetering” van 1,6 procent van het bbp, waarbij hij ook de erfenis van vorige regeringen in rekening brengt.
In beleidskringen heet dat nuanceren. Buiten die kringen klinkt het vooral als bijsturen na overselling.
De rekening ligt bij de gepensioneerde
Achter de macro-economische cijfers schuilt een andere realiteit: de impact op de pensioenen zelf.
Volgens het Planbureau zullen toekomstige gepensioneerden gemiddeld minder ontvangen dan zonder hervorming. De vervangingsratio daalt over de hele lijn, met de zwaarste impact bij ambtenaren.
Voor hen loopt de daling op tot meer dan 15 procent tegen 2070. Werknemers en zelfstandigen blijven niet gespaard, maar komen er relatief beter vanaf.
Ook vrouwen worden disproportioneel geraakt. Hun gemiddeld pensioen daalt sterker dan dat van mannen. Tegelijk worden de laagste pensioenen extra onder druk gezet door het bevriezen van minimumpensioenen en de invoering van een pensioenmalus.
Het gevolg laat zich raden: het armoederisico bij nieuwe gepensioneerden stijgt.
Minder uitgeven door minder te geven
De kern van de hervorming wordt zo pijnlijk zichtbaar. De kosten dalen niet alleen door mensen langer te laten werken, maar ook door de uiteindelijke uitkeringen te temperen.
De politieke framing blijft ondertussen overeind: er wordt “niet bespaard”, er wordt “minder meer uitgegeven”.
Een semantische oefening die weinig verandert aan de realiteit op het terrein.
Beleidsverhaal onder druk
De doorrekening van het Planbureau legt vooral één probleem bloot: de kloof tussen politieke communicatie en economische realiteit.
Wat werd gepresenteerd als een noodzakelijke en krachtige ingreep, blijkt bij nadere analyse een complex compromis met duidelijke sociale gevolgen en een beperkter budgettair effect dan aangekondigd.
De vraag is niet langer of de hervorming nodig is, maar wel tegen welke prijs — en voor wie.
(Foto: Philip Reynaers/Photo News)