Elke keer wanneer er nieuwe cijfers verschijnen over verkeersveiligheid, gebeurt ongeveer hetzelfde. Een woordvoerder verschijnt. Een ‘expert’ schuift aan. Een journalist schrijft een artikel. Kijk eens hoeveel verkeersdoden er minder vallen. Kijk eens hoeveel flitspalen er zijn bijgekomen. Zie je wel dat het werkt? Dat klinkt logisch. Misschien zelfs té logisch.
Want wie de cijfers wat aandachtiger bekijkt, merkt dat er nog een andere vraag gesteld mag worden. Zijn flitspalen werkelijk de belangrijkste reden waarom er vandaag minder mensen sterven op onze wegen? Of schrijven we een technologische revolutie toe aan een camera op een paal?
Neem een gemiddelde gezinswagen van tien of vijftien jaar geleden. Die had een paar airbags, ABS en misschien een stabiliteitssysteem. Dat was het ongeveer.
Vergelijk dat eens met een doorsnee nieuwe wagen van vandaag. Nog voor jij zelf beseft dat er gevaar dreigt, heeft de auto het vaak al gezien. Hij waarschuwt wanneer je van rijstrook afwijkt. Hij ziet voertuigen in je dode hoek. Hij merkt fietsers op. Hij detecteert voetgangers. Hij remt soms zelfs automatisch wanneer jij niet reageert. Bij veel moderne auto's moet je tegenwoordig bijna ruzie maken met de elektronica om nog een ongeval te kunnen veroorzaken.
En als het dan toch fout loopt, begint het tweede deel van het verhaal. De bescherming. De kreukelzones zijn beter. De carrosserie is sterker. De airbags zijn slimmer. De gordelspanners werken efficiënter. De zetels beschermen beter tegen nekletsels. De lijst met veiligheidsvoorzieningen is ondertussen langer dan het menu van een gemiddeld Chinees restaurant.
Een botsing die twintig jaar geleden misschien fataal afliep, eindigt vandaag vaak met een kapotte bumper, een geactiveerde airbag en een stevig gesprek met de verzekeraar.
Dat is geen mening. Dat is technologische vooruitgang. Toch horen we daar opvallend weinig over wanneer verkeersveiligheid ter sprake komt. Dan gaat het plots uitsluitend nog over snelheid. En uiteraard speelt snelheid een rol. Niemand gaat beweren dat een botsing aan 120 km/u even veilig is als een botsing aan 50 km/u.
Maar snelheid is niet de enige factor. Sterker nog: het aantal verkeersdoden daalt al tientallen jaren in zowat heel Europa. Ook in landen die compleet andere controlemethodes hanteren. Ook in regio's waar veel minder trajectcontroles staan dan bij ons. Ook op plaatsen waar de flitspalen niet als paddenstoelen uit de grond schieten.
Misschien omdat er nog andere factoren meespelen. Zoals veiligere auto's. Zoals veiligere wegen. Zoals betere medische hulp. Zoals snellere interventies. Zoals moderne rijhulpsystemen. Zoals automatische noodremmen. Zoals voertuigen die vandaag soms slimmer reageren dan de bestuurder zelf.
En daar wringt het schoentje een beetje. Wanneer er opnieuw cijfers verschijnen over dalende verkeersdoden, lijkt het soms alsof de overheid zichzelf feliciteert voor haar flitspalen, terwijl autofabrikanten op de achtergrond stilletjes het echte werk hebben gedaan.
Want stel jezelf eens een eenvoudige vraag. Als snelheidscamera's werkelijk dé doorslaggevende factor zijn, waarom blijft die ene flitspaal in Deurne dan jaar na jaar honderdduizenden bestuurders betrappen?
Blijkbaar leert een aanzienlijk deel van de bevolking het nooit. Toch daalt het aantal verkeersdoden. Dat zou erop kunnen wijzen dat er nog iets anders aan de hand is. Misschien heeft de grootste vooruitgang in verkeersveiligheid van de voorbije twintig jaar helemaal geen grijze kast langs de weg als oorzaak. Misschien zit die vooruitgang gewoon in de wagen zelf. In de sensoren. In de software. In de airbags. In de ingenieurs die jarenlang gewerkt hebben aan auto's die menselijke fouten kunnen opvangen.
Dat is minder zichtbaar dan een flitspaal. Je kunt er geen miljoenen boetes mee uitschrijven. Je kunt er geen indrukwekkende persconferenties rond organiseren. Maar het zou zomaar eens de belangrijkste reden kunnen zijn waarom er vandaag minder mensen sterven op onze wegen dan vroeger. En misschien verdient dat verhaal ook eens verteld te worden.