België is een vreemd land. We weten perfect hoeveel zonnepanelen er op onze daken liggen. Hoeveel elektrische auto's er rondrijden. Hoeveel honden gechipt zijn. Hoeveel kinderen met de fiets naar school gaan. Slimme camera's registreren hoe vaak Jefke in zijn neus peutert wanneer hij 's morgens naar zijn werk rijdt.
Maar wanneer het gaat over de achtergrond van verdachten van geweldmisdrijven Dan moet iedereen plots gokken.
De beelden van de vechtpartijen op de Gentse Feesten hebben de voorbije week opnieuw heel wat emoties losgemaakt. Terwijl gesubsidieerde media schreven dat de vechtjassen agressief werden van de alcohol en het klimaat, zagen we op social media beelden van donkere klopmeneren met kappen over hun kop die er nog wreed nuchter uit zagen. Politici sprongen op de kar, voor- en tegenstanders vlogen elkaar online in de haren en iedereen leek exact te weten wie verantwoordelijk was.
Alleen is er één klein probleem. België beschikt helemaal niet over de cijfers om die discussie objectief te voeren.
Wie vandaag vraagt of mensen met een migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn bij geweldmisdrijven in ons land, krijgt eigenlijk maar één eerlijk antwoord: we weten het niet.
Niet omdat de overheid het antwoord geheim houdt. Maar omdat die gegevens eenvoudigweg niet systematisch worden bijgehouden.
Dat zorgt voor een merkwaardige situatie. Aan de ene kant zijn er mensen die op basis van filmpjes op sociale media overtuigd zijn dat het antwoord overduidelijk is. Aan de andere kant zijn er mensen die elke link tussen migratie en criminaliteit meteen afdoen als stemmingmakerij.
Alleen kan geen van beide kampen zich beroepen op Belgische cijfers. En dat is eigenlijk een probleem.
Want een maatschappelijk debat voer je het liefst op basis van feiten, niet op basis van buikgevoel. Kijk je over de grens, dan zie je dat het ook anders kan.
Nederland publiceert al jarenlang statistieken over verdachten van misdrijven. Dat betekent niet dat elke discussie daar plots verdwenen is, integendeel. Maar onderzoekers kunnen er tenminste cijfers analyseren, trends opvolgen en nuances aanbrengen. Zo blijkt daar bijvoorbeeld dat bepaalde groepen inderdaad oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken, en dat leeftijd, opleidingsniveau en andere sociaaleconomische factoren een belangrijk deel van dat verschil verklaren.
Met andere woorden: de cijfers maken een genuanceerd debat mogelijk. België heeft die luxe niet.
Hier botsen perceptie en werkelijkheid voortdurend op elkaar, zonder dat iemand met zekerheid kan zeggen waar de waarheid precies ligt. Dat is misschien nog het meest opmerkelijke aan de hele discussie.
We leven in een tijd waarin zowat alles wordt gemeten. Gemeenten tellen het aantal laadpalen. Vlaanderen weet hoeveel woningen een EPC-label D of slechter hebben. De overheid verzamelt gegevens over verkeer, energieverbruik, gezondheid en onderwijs.
Maar over een onderwerp dat de politieke debatten al jaren beheerst, beschikt België opvallend genoeg niet over dezelfde objectieve onderbouw.
Dat betekent niet dat de overheid mensen moet catalogeren of dat afkomst op zich iets zegt over schuld of onschuld. Elke verdachte blijft in de eerste plaats een individu.
Maar als beleidsmakers willen weten welke problemen zich waar voordoen en welke maatregelen werken, dan zijn degelijke statistieken geen overbodige luxe. Ze vormen net de basis van goed beleid.
Misschien bevestigen zulke cijfers ooit wat veel mensen vandaag al denken. Dat weten we vandaag simpelweg niet. En misschien is dát wel de meest opmerkelijke conclusie van allemaal.
Niet dat België een moeilijk debat voert. Maar dat het dat debat probeert te voeren zonder over de cijfers te beschikken die het zouden kunnen onderbouwen.