Salonsocialisme van de onderste plank: Kathleen Van Brempt (Vooruit) noemt het goed voor economie, klimaat en sociale cohesie.
De Europese Commissie heeft grootse ambities aangekondigd: tegen 2040 moeten alle Europese hoofdsteden via hogesnelheidslijnen met elkaar verbonden zijn. Reizen van Brussel naar Madrid zou dan in minder dan acht uur moeten kunnen, Parijs naar Berlijn binnen zeven. Op papier leest het als een technocratische droom. In de realiteit — zeker voor een land waar een trein van Brussel naar de eigen kust even vaak uitvalt als dat hij rijdt — roept het fundamentele vragen op. Zoals: hebben we in deze tijd van algemene crisis écht behoefte aan nóg een prestigieus infrastructuurproject? Of zouden we misschien eerst eens zorgen dat pendelaars, jobzoekers en mensen in armoede in België simpelweg met het openbaar vervoer tot aan het OCMW geraken?
Ambitie verdubbelen, vooruitgang halveren
Een paar jaar geleden stelde de Europese Unie al voor om het hogesnelheidsverkeer tegen 2030 te verdubbelen ten opzichte van 2015. De realiteit is dat er sinds toen slechts 17 procent bijgekomen is. De problemen zijn niet subtiel: slechte verbindingen, trage procedures en een politiek klimaat dat – zeker de laatste jaren – terecht vooral focust op besparen, afbouwen of terugplooien.
Europees Parlementslid Kathleen Van Brempt (Vooruit) probeert het positief te verpakken: er is nog “een stevige weg te gaan". Maar in beleidsjargon betekent dat zoveel als: we hebben nog niks. Zelfs niet eens een geharmoniseerde spoorbreedte tussen alle lidstaten.
Wie gaat dat betalen?
Volgend jaar komt de Commissie met een "High Speed Rail Deal", een investeringsplan dat via publieke én private middelen het project moet helpen financieren. Maar laat ons eerlijk zijn: die private middelen worden pas aantrekkelijk als de winstkansen groot genoeg zijn, en dat is bepaald niet het geval als de staatskassen overal rood kleuren. Lidstaten die momenteel worstelen met begrotingsgaten, ontploffende sociale uitgaven en inflatiepieken gaan zomaar een handtekening zetten onder miljardeninvesteringen in nieuwe bruggen en tunnels? Het vergt geloof, veel geloof. En een ruime voorraad naïviteit.
Vergeten wie er op de trein zit
Er bestaat al een Europees hogesnelheidsnetwerk, met lijnen in landen als Spanje, Italië, Duitsland en Frankrijk. Maar die netwerken bedienen doorgaans grote, rijke steden. Tegelijkertijd zitten dikwijls miljoenen EU-burgers vast in regio’s waar zelfs basismobiliteit – laat staan goed openbaar vervoer – nauwelijks gegarandeerd is.
En precies daar wringt het schoentje - om een degelijk Belgisch vervoersmetafoor te gebruiken: er is geen geïntegreerd plan voor sociale mobiliteit. De vraag die hier genegeerd wordt, is simpel: wat heeft een doorsnee resident in Charleroi, Leuven of Genk aan hogesnelheidstreinen naar Berlijn, als een consequente verbinding - laat ons even stout zijn - naar het dichtstbijzijnde OCMW al ontbreekt?
Goed voor de planeet, maar ook voor de portefeuille?
Salonsocialiste Van Brempt noemt het plan goed voor economie, klimaat en sociale cohesie. Een stevige uitspraak — maar waar is de onderbouw? Reizigers moeten “zonder gedoe” kunnen passeren aan de grenzen, zegt ze. Maar de maatschappelijke realiteit is dat veel Europese burgers al jarenlang wél gedoe ervaren als ze simpelweg van hun huis naar de arbeidsmarkt willen gaan.
In die zin lijkt het Europese plan op een bekende politieke formule: groots dromen terwijl de realiteit smeekt om kleine, maar concrete verbeteringen. Europa zet het “stroompedaal” in, maar vergeet dat in veel regio’s dat pedaal al jaren op pauze staat. De vraag wordt dan: is dit investeren in mensen, of in prestige?
In 8 uur naar Madrid klinkt aardig — maar misschien moeten we eerst eens zorgen dat de trein naar het OCMW niet door "technische storing" wordt geschrapt. Pas als dat lukt, kunnen we over de Pyreneeën heen dromen.
(Foto: Bert Van Den Broucke/Photo News/Shutterstock)