Maar de bondskanselier doet er nog een schep bovenop.
Bondskanselier Friedrich Merz serveerde zichzelf in de verkiezingen als de man die zijn partij “terug naar het midden” zou brengen, maar hij landt tegenwoordig vooral rechts van het midden — en soms zelfs daarbuiten.
Vorige week tastte Merz links Duitsland in het kruis met een opmerking over het “straatbeeld” in Duitse steden. Zijn regering, zei hij, zette weliswaar “op grote schaal” migranten uit, maar toch bleef er “een probleem in het straatbeeld”. Een vage formulering die in het verkeerde linkse oor schoot: Merz had het, volgens hen, over huidskleuren en afkomst.
De storm van de verontwaardiging
Wat volgde was voorspelbaar én giftig. Progressief Duitsland stond op zijn achterste poten: Groenen, SPD’ers en integratie-experts spraken van “racistische en kwetsende uitspraken, onwaardig voor een bondskanselier”. Er kwamen demonstraties in Berlijn en Potsdam, en een open brief waarin tientallen politici eisten dat Merz zich zou verontschuldigen.
Maar Merz zweeg. Zijn partijtop was op “Klausur” — een soort politieke retraite — waar niet het vermeende racisme centraal stond, maar de vraag hoe de CDU zich moest positioneren tegenover de extreemrechtse AfD. Want daar wringt het schoentje: in de peilingen staan CDU en AfD nek-aan-nek, elk met zo’n 25 procent van de stemmen.
Een partij op zoek naar haar kompas
De CDU van Merz schuift onder zijn leiding gestaag naar rechts. De brede volkspartij met christelijk-sociale, liberale en conservatieve vleugels, lijkt steeds meer een strak aangetrokken fractie te worden van conservatieven die hardere taal niet schuwen. Zelfs binnen zijn eigen rangen klonk al kritiek dat de huidige ploeg van Merz “te conservatief” is samengesteld.
Merz verdedigt zijn harde lijn als noodzaak: strenge migratiepolitiek en scherpe retoriek zouden volgens hem de enige manier zijn om kiezers bij de AfD weg te houden. Hij noemt zijn regering zelfs “de laatste kans om extreemrechts te stoppen”. Alleen lijkt hij daarbij steeds dichter in hun discours te kruipen.
“Vraag het uw dochter maar”
Toen journalisten hem maandag vroegen wat hij nu precies bedoelde met dat “probleem in het straatbeeld”, had Merz alle kans om de plooien glad te strijken. Maar hij koos het tegenovergestelde pad. “Vraag het uw dochter maar wat ik bedoel,” sneerde hij. “Iedereen ziet het probleem — zeker als het donker wordt.”
Et alors?
(Foto: Shutterstock)