Bijna 2 miljard euro extra voor de defensie-industrie.
Bij begrotingsonderhandelingen klinkt steevast hetzelfde refrein dat de financiële ruimte beperkt en elke extra uitgave zorgvuldig moet worden afgewogen. Voor defensie daarentegen gelden die budgettaire beperkingen nauwelijks nog. De federale regering heeft beslist - zo schrijft ‘De Tijd’ op vrijdag -om de komende vijf jaar bijna 2 miljard euro beschikbaar te maken voor investeringen in de Belgische defensie-industrie.
Via een nieuw Defensiefonds, ondergebracht bij de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij (SFPIM), zal de overheid zich rechtstreeks kunnen inkopen in ondernemingen die militaire technologie ontwikkelen. Niet alleen gevestigde bedrijven komen daarvoor in aanmerking. Ook start-ups die drones, elektronische afweersystemen, sensoren of andere militaire toepassingen ontwikkelen, kunnen rekenen op overheidskapitaal.
De beslissing markeert een duidelijke koerswijziging. Defensie is niet langer uitsluitend een beleidsdomein; het wordt ook een economische strategie.
De overheid als investeerder in oorlogstechnologie
Het Defensiefonds krijgt jaarlijks 250 miljoen euro aan investeringsruimte. Daarbovenop komen 150 miljoen euro uit het Europese relancefonds en nog eens 300 miljoen euro aan uitzonderlijke trekkingsrechten. Samen loopt het beschikbare budget op tot bijna twee miljard euro.
Volgens de regering moet dat geld dienen om strategische bedrijven in Belgische handen te houden en innovatie te versnellen. Minister van Defensie Theo Francken maakte eerder al duidelijk waar die ambitie naartoe moet leiden: een verdubbeling van het aantal Belgische defensiebedrijven binnen vijf jaar.
Dat betekent dat de overheid actief zal bijdragen aan de uitbouw van een industrie die haar groei rechtstreeks ontleent aan stijgende militaire budgetten.
Een nieuwe economische realiteit
De oorlog in Oekraïne heeft overal in Europa het politieke denken veranderd. Defensie-uitgaven worden niet langer beschouwd als een noodzakelijke kost, maar steeds vaker als een economische opportuniteit. De productie van militair materieel wordt voorgesteld als een nieuwe industriële motor, goed voor investeringen, innovatie en werkgelegenheid.
En dat discours wint snel terrein.
De vraag is niet langer óf er meer geld naar defensie moet gaan, maar hoe snel de sector kan uitbreiden. De klassieke discussie over prioriteiten lijkt grotendeels verdwenen.
Nochtans blijft elke euro slechts één keer uit te geven. Investeringen in defensie concurreren onvermijdelijk met investeringen in gezondheidszorg, justitie, infrastructuur, onderwijs en onderzoek. Die vaststelling verdwijnt opvallend vaak naar de achtergrond zodra militaire uitgaven ter sprake komen.
De logica van permanente bewapening
België staat niet op zichzelf. Als lid van de NAVO en de Europese Unie heeft het land internationale engagementen aangegaan. De gewijzigde veiligheidscontext maakt extra investeringen in defensie begrijpelijk en in zekere mate zelfs onvermijdelijk. Als je meegaat in het oorlogsnarratief.
Maar dat neemt echter niet weg dat ook een bewapeningsbeleid grenzen zou moeten kennen.
De huidige redenering vertrekt steeds vanuit hetzelfde uitgangspunt: omdat de internationale dreiging toeneemt, moeten de militaire budgetten blijven stijgen. Die logica bevat geen eindpunt. Elke nieuwe investering vormt de rechtvaardiging voor de volgende.
Europa dreigt zo terecht te komen in een klassieke wapenwedloop, waarin veiligheid voortdurend wordt afgemeten aan de omvang van het defensiebudget.
Geschiedenis leert nochtans dat een opeenstapeling van militaire capaciteiten op zichzelf zelden duurzame vrede heeft opgeleverd.
Politieke keuzes blijven politieke keuzes
Opvallend is ook de snelheid waarmee politieke weerstand verdwijnt zodra defensie op de agenda staat. Over relatief beperkte budgetten voor sociale of economische dossiers wordt vaak maanden onderhandeld. Miljardeninvesteringen in militaire technologie passeren vandaag met een opmerkelijke vanzelfsprekendheid.
Parallel met de oprichting van het Defensiefonds werd ook de bestuursstructuur van de SFPIM herschikt. Daardoor verdwenen de laatste politieke hindernissen voor de uitrol van het fonds. Tegelijk bereidt de federale regering de verkoop van twintig procent van Belfius voor, een operatie die naar verwachting tussen twee en tweeënhalf miljard euro moet opleveren.
Alsof twee miljard euro nog niet volstond: eerst de postjes verdelen
De oprichting van het Defensiefonds ging niet alleen over miljardeninvesteringen, maar ook over de klassieke Belgische verdeling van invloed en bestuursmandaten. Nog voor het fonds echt van start kon gaan, moest eerst de top van de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij (SFPIM) politiek worden herschikt.
De regering wilde vermijden dat het fonds zou stranden onder de toenmalige voorzitter Laurence Bovy, waardoor een stoelendans onvermijdelijk werd. De MR schoof Axel Miller naar voren als nieuwe voorzitter, ondanks de kritiek op zijn rol tijdens de Dexia-crisis. Tegelijk verzekerde de N-VA zich van extra invloed door voormalig Jambon-kabinetschef Jeroen Overmeer naar de raad van bestuur te sturen. Ook Europol-topvrouw Catherine De Bolle kreeg een zitje, naast vertegenwoordigers van Vooruit en Les Engagés.
Het resultaat oogt als een schoolvoorbeeld van Belgische politieke postjesverdeling. Nog vóór de eerste euro richting defensie-industrie kon vloeien, werd eerst nauwkeurig bepaald welke partij welke stoel mocht bezetten. De miljardeninvestering kreeg zo meteen ook haar eigen politieke bestuurslaag.
De timing spreekt boekdelen. Zodra de nieuwe bestuurskamer op haar plaats zat, stonden niet alleen alle lichten op groen voor het Defensiefonds, maar ook voor de gedeeltelijke privatisering van Belfius. In de Wetstraat blijft een oude constante overeind: grote dossiers gaan opvallend vaak hand in hand met een nieuwe ronde politieke benoemingen.
De moeilijkste vraag blijft onbeantwoord
Niemand betwist dat een overheid haar bevolking moet beschermen. Evenmin kan België zich volledig losmaken van zijn internationale verplichtingen. Dat zou politiek én geopolitiek onrealistisch zijn.
Maar precies daarom verdient de andere vraag minstens evenveel aandacht: hoeveel bewapening volstaat?
Die discussie wordt nauwelijks nog gevoerd. Elke internationale crisis leidt automatisch tot nieuwe investeringen, nieuwe fondsen en hogere defensiebudgetten. Alsof militaire versterking de enige denkbare reactie is.
Misschien klinkt het idealistisch om die reflex in vraag te stellen. Toch blijft één vaststelling overeind. Zolang regeringen uitsluitend antwoorden met meer bewapening, krijgt de overtuiging dat conflicten uiteindelijk militair moeten worden opgelost steeds meer gewicht.
Vrede ontstaat uiteindelijk niet omdat staten almaar meer wapens produceren. Vrede begint pas wanneer ook de politieke moed bestaat om grenzen te stellen aan de logica van voortdurende escalatie.
(Foto: Philip Reynaers/Photo News)