Wie niet steelt of erft, werkt tot ie sterft.
Een meerderheid van de Vlaamse ouders bijt zich de nagels van de vingers als over de toekomst van hun kinderen op de woningmarkt gaat. Volgens de nieuwste editie van de Gezinsbarometer van de Gezinsbond vrezen zes op de tien gezinnen dat hun kinderen zich later geen eigen huis zullen kunnen veroorloven. De bezorgdheid beperkt zich niet tot kwetsbare gezinnen, maar leeft breed binnen de Vlaamse middenklasse.
Dat huizen onbetaalbaar zijn geworden, is oud nieuws. De stijgende vastgoedprijzen, gecombineerd met economische onzekerheid, drukken zwaar op het vertrouwen in de toekomst. Uit de cijfers blijkt dat slechts 30 procent van de ouders zich financieel in staat acht hun kinderen volwaardig te ondersteunen bij de aankoop van een woning. Een nog grotere groep — 42 procent — geeft aan enkel in beperkte mate te kunnen helpen. Dat staat in schril contrast met het intergenerationele model dat lange tijd in Vlaanderen vanzelfsprekend was: kinderen konden rekenen op spaargeld of een schenking van hun ouders, die zelf vaak al op jonge leeftijd eigenaar werden.
Tegelijk blijven de bakstenen stevig verankerd in het Vlaamse DNA. Maar het ideaal van de eigen woning schuurt steeds meer met de economische realiteit. De gemiddelde aankoopprijs van een woning nadert intussen de 330.000 euro, met uitschieters in en rond de grote steden. De toegenomen woonlasten die huidige ouders zelf torsen, laten bovendien minder ruimte om voor de volgende generatie te sparen. Vooral kortgeschoolde ouders geven aan de middelen niet te hebben om enige vorm van ondersteuning te bieden.
Huren of blijven? De strategie van ‘Hotel Mama’
In afwachting van beter betaalbare alternatieven kiezen veel gezinnen voor uitstelgedrag. Meer dan de helft van de ouders raadt hun kinderen aan om eerst te huren of langer thuis te blijven wonen na het afstuderen. De strategie is duidelijk: sparen waar mogelijk, afwachten tot de marktomstandigheden gunstiger worden, en intussen kosten drukken door onder het ouderlijk dak te blijven. Die tendens weerspiegelt zich ook in andere levensdomeinen: jongeren stellen niet alleen hun verhuis uit, maar ook het stichten van een gezin.
De druk op het woningbeleid neemt toe
De Gezinsbond wijst in haar analyse op structurele tekorten op de woningmarkt. Vooral het gebrek aan betaalbare, kwaliteitsvolle woningen in zowel de sociale als private sector wordt als knelpunt genoemd. Daarnaast ondervinden gezinnen drempels bij renovaties, blijft het premiesysteem onoverzichtelijk en zijn de wachttijden voor huurondersteuning veel te lang. Wie vandaag na zijn studies de stap naar een huurwoning zet, moet in sommige gevallen tot vier jaar wachten vooraleer een huurpremie effectief wordt toegekend.
De organisatie pleit dan ook voor ingrijpende hervormingen. Het gaat dan onder meer om een vereenvoudiging van het premiesysteem, het versneld aanpakken van leegstand in stedelijke gebieden, en een grotere flexibiliteit in woonvormen. Vandaag wordt bijvoorbeeld een woning die wordt opgesplitst voor meerdere gezinnen nog fiscaal als één huishouden beschouwd, wat een rem zet op creatieve oplossingen in de bestaande woningvoorraad.
Maar misschien is het nog veel simpeler en moeten we met de vinger naar de gladde immo-youpies wijzen die de prijzen opdrijven. Zolang we wonen niet zien als een basisbehoefte en de koop en verkoop aan banden leggen, roeren we in de verkeerde pot.
Wonen als structurele uitdaging
De cijfers uit de Gezinsbarometer maken duidelijk dat het woonvraagstuk voor veel Vlaamse gezinnen een bron van structurele onzekerheid is geworden. Wat decennialang vanzelfsprekend leek — een eigen woning voor elk kind — is vandaag een uitdaging waar velen zonder hulp niet aan beginnen. Voor alsmaar meer jongeren dreigt het idee van een eigen huis eerder een privilege te worden dan een vanzelfsprekend recht.
(Foto: Shutterstock)