Het klinkt bijna als een slechte grap, maar de cijfers zijn bloedserieus. De dienst die werklozen opnieuw richting arbeidsmarkt moet duwen, kampt zelf met een opvallend probleem: opvallend veel eigen medewerkers zijn langdurig afwezig.
Volgens recente cijfers zat in 2025 meer dan 5 procent van het personeel van de VDAB langer dan een jaar thuis door ziekte. Dat is niet alleen hoger dan gemiddeld, het ligt zelfs een pak boven wat je in de rest van België ziet. Tel daar nog eens bij dat bijna één op de tien werkdagen verloren gaat door ziekte, en je krijgt een beeld dat moeilijk te rijmen valt met de rol die de organisatie zelf speelt.
Want als jouw core business bestaat uit mensen activeren, begeleiden en terug op de rails krijgen… dan verwacht je dat dat intern op z’n minst een beetje lukt.
Het wrange is dat het probleem niet eens nieuw is. Het ziekteverzuim bij de VDAB schommelt al jaren rond die 10 procent. Alleen wordt het nu moeilijker om dat nog weg te relativeren. Zeker omdat het niet gaat om korte afwezigheden, maar om langdurige uitval: het type dat meestal wijst op diepere problemen. Werkdruk, organisatie, ondersteuning… het zijn klassieke verklaringen die je ook in de privé hoort, maar hier net iets harder binnenkomen.
Critici spreken dan ook van een pijnlijke paradox. Hoe geloofwaardig ben je nog als je anderen moet coachen richting werk, terwijl je eigen organisatie worstelt om mensen inzetbaar te houden? Het is een beetje alsof je personal trainer zelf buiten adem raakt na één trap.
Aan de andere kant probeert de VDAB het verhaal te nuanceren. Ja, de cijfers zijn hoog, maar ze wijzen erop dat het ziekteverzuim wél gedaald is tegenover vorige jaren. En dat ondanks een stijgende werkdruk, onder meer door hervormingen, snellere opvolging van werkzoekenden en besparingen die oplopen tot tientallen miljoenen euro’s. Met andere woorden: het had volgens hen nog erger kunnen zijn.
Daarnaast wordt er gewezen op de aard van het personeel. Zo ligt het aandeel medewerkers met een chronische aandoening of arbeidshandicap bij de VDAB hoger dan gemiddeld. Dat is op zich nobel — inclusie op de werkvloer — maar het heeft uiteraard ook impact op de cijfers. Alleen lost dat de kernvraag niet op.
Want uiteindelijk draait het daar om: is dit een tijdelijk effect van een moeilijke periode, of zit er iets structureel scheef?
De politiek begint zich alvast vragen te stellen. Wanneer meer dan de helft van het ziekteverzuim langdurig is, wordt het moeilijk om dat nog af te doen als pech of toeval. Dan kom je automatisch uit bij hoe een organisatie werkt, hoe ze haar mensen ondersteunt en hoeveel druk er op de ketel staat.
En dat is precies waar het schuurt. Want tegelijk verwacht men van de VDAB dat ze méér doet dan ooit. Meer begeleiding, snellere activering, strengere opvolging. De lat ligt hoger, de middelen lager, en ergens in het midden zitten de medewerkers die het allemaal moeten waarmaken.
Misschien is dat wel de echte kern van het verhaal. Niet dat de VDAB slechter presteert dan verwacht, maar dat de verwachtingen zelf intussen zo hoog liggen dat het systeem begint te kraken.
En dan wordt het pijnlijk ironisch: de instantie die anderen moet helpen om uit te vallen, lijkt zelf steeds meer moeite te hebben om recht te blijven staan.