Annick De Ridder bespaart op kwetsbare leerlingen: langere ritten en minder service in het buitengewoon onderwijs.
Theo Francken mag voor miljarden shoppen voor oorlogstuig, maar duizenden gezinnen met kinderen in het buitengewoon onderwijs krijgen een versobering van een essentiële dienstverlening op hun bord: “Los het zelf maar op!”
Op vraag van Vlaams minister van Mobiliteit Annick De Ridder (N-VA) moet De Lijn besparen op het leerlingenvervoer voor het buitengewoon onderwijs. De vervoersmaatschappij moet voortaan binnen het voorziene budget van 139 miljoen euro blijven, met ingrijpende gevolgen voor kinderen die vaak al extra ondersteuning nodig hebben.
De rekening komt bij de gezinnen terecht
De boodschap klinkt technisch en ‘budgettair verantwoord’, maar op het terrein vertaalt ze zich in langere ritten, vollere bussen en minder dienstverlening. Sommige leerlingen zullen niet langer voor de deur worden opgehaald. In de plaats daarvan wordt gekeken naar centrale opstapplaatsen waar ouders hun kinderen zelf moeten afzetten en ophalen.
Volgens De Lijn stijgt de druk op het systeem al jaren. Het aantal leerlingen dat gebruikmaakt van aangepast vervoer groeide van ongeveer 35.000 in 2021 naar zo'n 45.000 vandaag. Tegelijk overschreed de vervoersmaatschappij jaar na jaar het beschikbare budget en werden miljoenen euro's uit andere potjes gehaald om de dienstverlening overeind te houden. En als de cijfertjes niet goed zijn, grijpt N-VA in.
Dat die situatie niet houdbaar was, begrijpt iedereen, klinkt het. De vraag is echter waarom de oplossing opnieuw wordt gezocht bij de gebruikers van de dienstverlening zelf. Want uiteindelijk zijn het niet de begrotingstabellen die de gevolgen zullen dragen, maar kinderen met een beperking en hun ouders.
Langere ritten, minder comfort
De Lijn onderzoekt momenteel verschillende scenario's. Buslijnen kunnen worden samengevoegd en bestaande trajecten hertekend. Daardoor dreigen sommige leerlingen langer onderweg te zijn. De vroegere ambitie om ritten te beperken tot maximaal negentig minuten lijkt daarbij steeds moeilijker haalbaar te worden.
Voor kinderen die nu al vroeg uit bed moeten en dagelijks lange afstanden afleggen, dreigt de schooldag nog zwaarder te worden. Wat op papier een efficiëntieoefening lijkt, betekent in de praktijk vaak extra vermoeidheid en meer stress voor leerlingen die het sowieso al niet makkelijk hebben.
Zelfstandig naar school? Niet voor iedereen een optie
Ook het idee om meer leerlingen zelfstandig naar school te laten gaan, ligt op tafel. Dat klinkt logisch voor gewone schooltrajecten, maar voor veel kinderen in het buitengewoon onderwijs is zelfstandig fietsen of wandelen eenvoudigweg geen realistische optie. Net daarom bestaat het systeem van aangepast leerlingenvervoer.
Veel ouders hebben bewust gekozen voor een school die aansluit bij de specifieke zorgbehoeften van hun kind. Die scholen liggen bovendien niet altijd in de onmiddellijke omgeving. Het vervoer vormt daarom geen luxe, maar een noodzakelijke schakel om onderwijs überhaupt toegankelijk te maken.
Een kwestie van politieke keuzes
De discussie legt opnieuw een ongemakkelijke politieke realiteit bloot. Wanneer overheden middelen vrijmaken voor nieuwe investeringen, grote infrastructuurprojecten en andere beleidsprioriteiten, verwachten burgers dat essentiële diensten voor kwetsbare groepen minstens gevrijwaard blijven. Voor veel ouders zal het dan ook moeilijk te begrijpen zijn dat precies op dit domein de besparingen worden doorgevoerd.
Niemand betwist dat een overheid zorgvuldig met belastinggeld moet omgaan. Maar de manier waarop een samenleving omgaat met haar meest kwetsbare inwoners blijft een belangrijke graadmeter voor haar prioriteiten. Wanneer kinderen met een beperking langer onderweg zijn, minder service krijgen en ouders extra lasten moeten dragen om een begroting in evenwicht te houden, dan rijst onvermijdelijk de vraag welke keuzes een regering maakt — en vooral voor wie.
(Fotomontage: shutterstock/Bert Van Den Broucke/Photo News)