Van volksstrip tot breuk met 80 jaar traditie.
Zie je, vriendschap – zonder meer – tussen een man en een vrouw bestaat niet. Er komt altijd meer van, toch? Net zoals er van een kus altijd meer komt, toch? Daar ontkomen zelfs ons Suske en Wiske niet aan. Sinds Wiske borstjes kreeg van haar tekenaars, mogen we er vanuit gaan dat er ook bij Suske een en ander begon te groeien. Het was dus onvermijdelijk dat die twee ‘iets’ met mekaar zouden krijgen, toch? En jawel, het is zo ver, Suske en Wiske zijn hun onschuld voor altijd kwijt.
Dat Suske en Wiske na tachtig jaar eindelijk een kus delen, is een shock. Of beter een stunt. Maar in werkelijkheid past het naadloos in de langzame metamorfose van de reeks, die sinds 1945 voortdurend laveert tussen traditie, commerciële overleving en culturele relevantie.
Het Vandersteen-tijdperk: de strip als volkskunst
Toen Willy Vandersteen de reeks in 1945 lanceerde, tekende hij geen strip, maar een spiegel van de Vlaamse volksziel. Suske en Wiske was didactisch zonder belerend te zijn, doorspekt met folklore, en in klare lijn toegankelijk voor kinderen én volwassenen. Vandersteen werd zelfs de "Bruegel van de strip" genoemd: zijn werk was tegelijk speels en moreel beladen.
In de jaren ’50 en ’60 werd de strip een fenomeen: albums verschenen in kranten, werden in gigantische oplages gedrukt en lagen in elk gezin. De verhalen waren avontuurlijk, vaak met historische of morele inslag. De Zwarte Madam, Het Eiland Amoras en De Texasrakkers groeiden uit tot klassiekers die generaties bepaalden.
Professionalisering en standaardisering
Na Vandersteens hoogdagen nam zijn Studio de productie grotendeels over. Tekeningen werden gestroomlijnder, scenario’s voorspelbaarder, om niet te zeggen flauw en moralistisch. De reeks moest vooral volumes draaien: meerdere albums per jaar, een vast lezerspubliek, een uitgeverij die op zekerheid speelde.
Die standaardisering leverde zakelijk succes op, maar artistieke nonsens. De creatieve spontaniteit maakte plaats voor formulewerk: een komische Jerom, een nukkige tante Sidonia, een bizarre antagonist en een afgerond avontuur per album.
Moderniseringsdrift en erosie van het publiek
Vanaf de jaren ’90 kreeg de stripsector klappen. Jongeren kochten minder strips, concurrentie van manga en games vrat marktaandeel weg. Suske en Wiske probeerde te moderniseren:
- nieuwe tekenstijlen (van de klassieke rode reeks naar de strakker getekende blauwe reeks),
- eigentijdse thema’s (gsm’s, internet, globalisering),
- en een aangepaste beeldtaal voor snellere lezers.
Toch bleef het knagen: het kernpubliek vergrijsde, kinderen haakten af, en nostalgie alleen volstond niet om de oplages hoog te houden.
De breuklijnen: spin-offs en volwassen lezers
In 2013 werd met Amoras een radicale breuk gemaakt. Suske en Wiske belandden in een duistere, gewelddadige toekomst, ver weg van hun brave wortels. De spin-off verkocht vlot, maar vooral bij een ouder publiek dat opgegroeid was met de klassieke albums. Met Doodvonnis zette tekenaar Charel Cambré die lijn verder: de personages kregen meer psychologische diepgang, emoties en relaties kwamen centraal te staan.
De recente kus is daarvan een logisch gevolg: een bewuste breuk met een tachtigjarige conventie, bedoeld om de reeks opnieuw relevant te maken en in de media te houden.
Cultureel erfgoed of commerciële wurgreep?
De vraag is wat dit betekent voor de toekomst. Suske en Wiske is cultureel erfgoed, opgenomen in de Vlaamse canon, maar erfgoed staat niet garant voor een automatische verkoop. De uitgeverij balanceert tussen respect voor de traditie en het noodgedwongen loslaten ervan om te overleven in een gesatureerde markt.
Dat Vandersteens geesteskind vandaag zijn eerste kus beleeft, zegt dus minder over romantiek dan over economische noodzaak. Het is de zoveelste poging om een tanend merk nieuw leven in te blazen – en meteen een testcase of Suske en Wiske nog relevant kan blijven in een tijd waarin de Vlaamse jeugd strips vooral via TikTok- of manga-invloeden leert kennen.
(Foto: PD)