De liquidatie van de failliete Tupperware-fabriek in Aalst heeft meer dan een miljoen euro opgebracht. Ondanks deze opbrengst blijven ex-werknemers zonder adequate compensatie achter.
Een jaar na de faillissementsverklaring van de Tupperware-fabriek in Aalst heeft de verkoop van de inboedel meer dan een miljoen euro opgeleverd. Deze opbrengst staat in schril contrast met de situatie van de voormalige werknemers, die volgens het federaal parlementslid Anja Vanrobaeys (Vooruit), onvoldoende ondersteund worden.
Bij het sluiten van de fabriek raakten 266 werknemers hun baan kwijt, zonder wettelijke opzegvergoeding of een solide sociaal plan. Velen van hen moesten vertrouwen op het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen (FSO) voor enige vorm van compensatie. Een ex-werknemer vertelde hoe hij, na 32 jaar dienst, een compensatie van 19.185 euro netto ontving via het sluitingsfonds, wat volgens hem niet in verhouding stond tot wat hij had moeten ontvangen.
Deze situatie is extra wrang omdat het bedrijf, tot het jaar voor het faillissement, miljoenen winsten uitkeerde aan haar aandeelhouders terwijl het gebruikmaakte van tijdelijke werkloosheid ondersteund door de overheid. Uiteindelijk draaien de belastingbetalers op voor de financiële lasten door economische werkloosheid en het sluitingsfonds.
Deze praktijken roepen vragen op over de adequaatheid van de sociale wetgeving, zeker in het geval van multinational ondernemingen die profiteren van overheidssteun. Vanrobaeys heeft aangegeven in het parlement te zullen pleiten voor juridische en politieke stappen om de bescherming van werknemers en de sociale zekerheid te versterken.