De VVJ en haar Franstalige tegenhanger hebben een gemeenschappelijk statement uitgebracht om Georges-Louis Bouchez de les te spellen. De MR-voorzitter had de RTBF namelijk ‘leverancier van links fake news’ genoemd: een zin die volgens de journalistenvereniging ‘een democratie onwaardig’ is.
Dat mag allemaal waar zijn. Maar de morele verontwaardiging klinkt vandaag wel bijzonder selectief.
Want waar was diezelfde VVJ toen onafhankelijke media zoals P-magazine tijdens de coronaperiode systematisch gecensureerd, gedemonetariseerd en kapotgefactcheckt werden? Toen redacties die het aandurfden om kritische vragen te stellen, werden weggezet als complotdenkers, extreemrechts of gevaarlijk voor de volksgezondheid? Toen adverteerders onder druk werden gezet om hun campagnes terug te trekken, en sociale media elk bericht over ‘afwijkende meningen’ schrapten alsof het staatsgevaarlijk was?
Toen bleef het oorverdovend stil bij de zogenaamde verdedigers van de persvrijheid.
Geen open brieven. Geen solidariteitsverklaringen. Geen statements met grote woorden over democratische waarden. Wij waren blijkbaar geen journalisten, maar ambetanteriken.
Vandaag is het dus moeilijk om dat collectieve morele vingertje ernstig te nemen. Want Bouchez mag dan wel te scherp uit de hoek komen: zijn kritiek dat veel media ideologisch één richting uit kijken, is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Dat debat moet kunnen zonder dat het meteen als ‘aanval op de persvrijheid’ wordt bestempeld.
Vrije journalistiek betekent ook dat er plek moet zijn voor satire, voor oncomfortabele waarheden en voor stemmen die buiten het narratief vallen. Anders is het geen vrije pers, maar een clubje dat vooral zichzelf verdedigt.