Onze politiedatabanken zitten vol illegale data.
De Belgische politiedatabanken – zo lezen we vandaag in ‘De Standaard’ – zitten vol met fouten, verouderde gegevens en informatie die veel langer wordt bijgehouden dan wettelijk toegestaan. Wat voor burgers strafbaar is, blijkt voor politiediensten vaak slechts een hinderlijke voetnoot.
Structureel probleem, structurele gevolgen
Volgens het Controleorgaan op de Politionele Informatie (COC) gaat het om een structureel en onwettig probleem, met soms zware persoonlijke en professionele gevolgen voor burgers. In 2024 vroegen 565 mensen om hun gegevens in de politiebestanden te laten wissen of corrigeren — een recordaantal. In een aanzienlijk deel van die gevallen kreeg men gelijk: gegevens werden verwijderd, rechtgezet of bleken veel te lang bewaard.
Het wettelijk kader is duidelijk: afhankelijk van de ernst van de feiten mogen gegevens in de Algemene Nationale Gegevensbank (ANG) maximaal één, tien of dertig jaar blijven staan. Bovendien moeten ze worden verwijderd zodra ze niet meer relevant zijn. Toch blijkt dat politiediensten die verplichting massaal negeren. Na één grote opkuis in 2022 viel men terug in de oude gewoonte: bewaren, aanvullen, maar nauwelijks verwijderen.
Foute data, echte schade
Zelfs de centrale ANG bevat talloze fouten. Zaken die geseponeerd zijn, vrijspraken, of minnelijke schikkingen worden niet consequent verwerkt. Het gevolg: burgers blijven geconfronteerd worden met een ‘politioneel verleden’ dat juridisch niet meer bestaat, maar administratief blijft kleven. Dat kan een directe impact hebben op veiligheidsscreenings, moraliteitsonderzoeken en vergunningaanvragen.
Een fout in het systeem kan betekenen dat iemand geen toegang krijgt tot een job in de beveiliging, het openbaar vervoer, een haven, of zelfs tot vrijwilligerswerk op een festival. Sommige mensen lopen hierdoor jarenlang kansen mis, simpelweg omdat een oud en onjuist datapunt blijft hangen.
Een mentaliteitsprobleem binnen de korpsen
Het COC spreekt over een mentaliteitsprobleem: sommige politiezones verzamelen systematisch meer gegevens dan wettelijk mag, ‘voor het geval dat’. Een Amerikaanse aanpak in een Europese rechtsstaat. Bovendien wordt de waakhond steeds vaker tegengewerkt, vooral door lokale korpsen die niet happig zijn op externe controle.
Zelfs wanneer het COC beslist dat gegevens gewist moeten worden, blijkt dat in de praktijk soms niet te gebeuren. Alsof de wet vooral iets is om bij burgers te handhaven, niet bij de politie zelf.
Europees recht wordt genegeerd
Volgens het Europees Hof van Justitie hebben burgers recht op directe toegang tot hun politiedossier bij de gegevensverwerker zelf — in dit geval de politie. België laat die toegang echter alleen via het COC verlopen, dat uit geheimhoudingsplicht nauwelijks inhoudelijke informatie kan geven. Daardoor weet een burger nooit zeker wat er met zijn gegevens gebeurt.
Een wetsaanpassing is politiek gevoelig, want dan moet binnen de politiediensten worden bepaald wie beslist over wissen of corrigeren. Lokale en federale politieniveaus houden elkaar in een bestuurlijke wurggreep. Intussen blijft de burger afhankelijk van een omslachtig, halfdoorzichtig proces.
Controle? Alleen als het uitkomt
De kern van het probleem is dat politiediensten weinig tot geen effectieve controle kennen. Het COC heeft wettelijke slagkracht, maar wordt juridisch en praktisch tegengewerkt. Politiek is er weinig animo om dit op te lossen: bevoegdheden verschuiven, maar verantwoordelijkheid blijft liggen.
In een land waar burgers op elke hoek door camera’s, databanken en identiteitscontroles onder het vergrootglas liggen, rijst de vraag: als de politie ons mag controleren, wie houdt dan toezicht op de politie? Het antwoord lijkt voorlopig te zijn: eigenlijk niemand.
(Foto: Shutterstock)