België zoekt geld. Veel geld zelfs. Premier Bart De Wever moet tegen 2029 ongeveer 10 miljard euro vinden om de begroting weer enigszins op de rails te krijgen. Maar volgens begrotingsexpert Wim Moesen maken we het allemaal veel moeilijker dan nodig, zo laat hij weten aan HLN.
De 82-jarige professor emeritus ziet namelijk miljarden liggen. Niet onder een matras, niet in een vergeten kluis en helaas ook niet in de achtertuin van de Nationale Bank. Wel in jouw winkelkar.
Volgens Moesen laat België ongeveer 7 miljard euro aan btw-inkomsten liggen. Ons land heft volgens hem bijzonder veel belastingen op arbeid, maar haalt relatief weinig inkomsten uit consumptie. Zijn oplossing klinkt dan ook eenvoudig: belast arbeid wat minder en aankopen wat meer.
Vandaag bestaan in België verschillende btw-tarieven. Op heel wat producten betaal je 21 procent, terwijl andere goederen en diensten onder tarieven van 6 of 12 procent vallen. Moesen stelt voor om naar het Nederlandse systeem te kijken. Daar bestaat naast het algemene tarief van 21 procent een verlaagd tarief van 9 procent. Goederen waarop Belgen vandaag 6 procent btw betalen, zouden in dat systeem dus duurder worden. Hetzelfde geldt voor producten die momenteel onder het tarief van 12 procent vallen.
Volgens Moesen kan België daarmee zowat 7 miljard euro extra ophalen. “Je kan het in twee dagen regelen”, zegt hij. Dat klinkt bijna alsof er ergens in de Wetstraat gewoon een knop moet worden omgedraaid.
Alleen: geld dat de overheid extra ontvangt, moet natuurlijk ergens vandaan komen. In dit geval komt het van consumenten. Wie boodschappen doet, iets laat herstellen, uit eten gaat of bepaalde diensten gebruikt, zou op een reeks producten en diensten meer btw betalen. De oplossing van Moesen is dus geen mysterieuze geldmachine. Ze komt erop neer dat de winkelkar, afhankelijk van wat erin ligt, duurder wordt.
Dat betekent niet automatisch dat het voorstel onzinnig is. Moesen pleit namelijk voor een taxshift. De overheid haalt dan meer inkomsten uit consumptie, maar verlaagt tegelijk de belastingen op arbeid. Wie werkt, zou netto meer overhouden, terwijl producten en diensten duurder worden.
Op papier kan dat elkaar compenseren. De grote vraag is alleen: voor wie?
Een taxshift klinkt in economische tabellen vaak behoorlijk netjes. Aan de ene kant stijgt het nettoloon. Aan de andere kant stijgen de prijzen. Onder de streep blijft de totale belastingdruk ongeveer gelijk. Maar gezinnen leven niet in economische tabellen.
Niet iedereen heeft een loon waarop de belastingen verlaagd kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan gepensioneerden, langdurig zieken, werkzoekenden of mensen die leven van een uitkering. Zij zouden mogelijk wel hogere prijzen betalen, zonder automatisch van een lagere belasting op arbeid te profiteren.
Ook voor lage inkomens kan een btw-verhoging relatief zwaar wegen. Zij geven doorgaans een groter deel van hun inkomen uit aan dagelijkse consumptie. Wie elke maand bijna zijn volledige inkomen nodig heeft voor huur, energie, voeding en vervoer, voelt een prijsstijging sneller dan iemand die een deel van zijn loon kan sparen.
De cruciale vraag is dus niet alleen hoeveel miljarden de overheid ophaalt. De vraag is ook wie uiteindelijk de rekening betaalt. Want iemand betaalt sowieso, anders zou de overheid er op het einde van de rit niet aan winnen.
Het voorstel wordt vooral gevoelig wanneer producten die vandaag onder het tarief van 6 procent vallen naar 9 procent zouden gaan. Dat lagere tarief wordt onder meer gebruikt voor verschillende basisproducten en diensten. Het exacte effect op een doorsnee winkelkar hangt af van de uiteindelijke lijst die de regering zou gebruiken.
Een eenvoudige verhoging van 6 naar 9 procent betekent ook niet dat elk product plots exact 3 procent duurder wordt. De btw wordt berekend op de prijs zonder belasting, waardoor het verschil aan de kassa iets anders uitvalt. Maar duurder wordt het wel.
Op één brood, één pak pasta of één aankoop lijkt dat verschil misschien klein. Over een volledig jaar en over duizenden aankopen kan het bedrag stevig oplopen. Zeker bij gezinnen die nu al elke euro moeten omdraaien.
Moesen heeft wel een belangrijk punt. België staat al jaren bekend als een land waar arbeid bijzonder zwaar wordt belast. Het verschil tussen wat een werkgever betaalt en wat een werknemer netto ontvangt, is groot.
Dat heeft gevolgen. Werken wordt duur voor bedrijven, werknemers houden relatief weinig over en extra loonopslag verdwijnt voor een flink deel in belastingen en sociale bijdragen. Een verschuiving van lasten op arbeid naar consumptie wordt daarom al langer door economen verdedigd.
Het idee is simpel: maak werken aantrekkelijker en haal een groter deel van de overheidsinkomsten uit uitgaven. Maar zelfs als de grote economische logica klopt, blijft de concrete uitwerking doorslaggevend.
Welke producten worden duurder? Hoe groot wordt de lastenverlaging op arbeid? Krijgen gepensioneerden of uitkeringsgerechtigden een compensatie? En hoeveel van die 7 miljard gebruikt de overheid om belastingen te verlagen, en hoeveel verdwijnt rechtstreeks in het begrotingsgat?
Moesen vindt overigens dat de huidige begrotingscrisis soms dramatischer wordt voorgesteld dan nodig. Hij vergeleek de Belgische situatie met eerdere saneringsoperaties onder Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene. In de jaren tachtig liep het begrotingstekort op tot 15,5 procent van het bruto binnenlands product. Begin jaren negentig bedroeg de staatsschuld ongeveer 132 procent van het bbp. Vandaag ligt de Belgische schuldgraad rond 108 procent en is het begrotingstekort kleiner dan tijdens die historische crisissen.
Volgens Moesen beklommen Martens en Dehaene destijds dus een veel hogere berg dan De Wever vandaag. Dat betekent niet dat er geen probleem is.
België blijft met een groot tekort zitten en betaalt jaarlijks miljarden aan rente. Wanneer financiële markten het vertrouwen verliezen, kan de rente waartegen ons land geld leent snel stijgen. Dan wordt besparen nog moeilijker, omdat een steeds groter deel van het budget naar rentebetalingen gaat.
Moesen adviseert de regering om hogere inkomsten altijd te combineren met een beheersing van de uitgaven. Dat laatste is belangrijk. Want een regering die alleen maar extra belastingen zoekt, zonder kritisch naar haar eigen uitgaven te kijken, zal weinig begrip krijgen van burgers.
België behoort nu al tot de landen met een bijzonder hoge belastingdruk. De boodschap dat er opnieuw miljarden nodig zijn, ligt daarom gevoelig. Zeker wanneer die miljarden in krantenkoppen worden voorgesteld als geld dat “voor het oprapen” ligt.
Het ligt niet voor het oprapen. Het zit in de portemonnee van de consument. De vraag is of de consument er via een hoger nettoloon voldoende voor terugkrijgt. En dus blijft uiteindelijk één vraag over: moet jouw winkelkar duurder worden om België te redden?