Een leven op volume elf.
Hij was een rockicoon die de grens tussen genialiteit en complete zelfdestructie herhaaldelijk uitdaagde – en tot verbazing van vriend én vijand steeds weer overeind krabbelde. Dinsdag is Ozzy Osbourne, frontman van Black Sabbath en zelfverklaard 'Prince of Darkness', op 76-jarige leeftijd overleden. Twee weken eerder nog stond hij voor 40.000 uitzinnige fans in Birmingham, gezeten op een troon, voor wat zijn ultieme afscheid zou worden. Het zou deze keer geen tour worden die hij nadien nog driemaal zou verlengen.
Zwarte Sabbat
Wat begon in de arbeidersbuurten van Birmingham eindigde in een rockmythe die wereldwijd generaties beïnvloedde – muzikaal én gedragsmatig. Osbourne bracht in de jaren 70 met Black Sabbath een nieuwe, zwaardere sound die later als ‘metal’ zou worden gedoopt. Tegelijk haalde hij met zijn gedrag moeiteloos de tabloids: hotelkamers sneuvelden als hij passeerde, vleermuizen verloren koppen, en mieren belandden via zijn neus in een trip.
Wat later folklore werd, begon als een eindeloze spiraal van drank, drugs en waanzin. Wie dacht dat hij overdramatiseerde, had duidelijk nooit gehoord van het moment waarop hij – onder invloed – een duif de kop afbeet op een zakelijk evenement. Of zijn dronkemansuitstapje naar het concentratiekamp van Dachau, waar hij meteen werd buitengegooid.
Sharon, de regisseur van zijn wederopstanding
Toen de band hem eind jaren 70 buiten werkte wegens overmatig gebruik, leek het verhaal Osbourne uitgeschreven. Drie maanden lang sloot hij zich op in een hotelkamer vol alcohol, sigaretten en zelfmedelijden. Tot Sharon, dochter van zijn ex-manager, hem weer op de rails kreeg. Eerst als manager, daarna als echtgenote. Ze maakte van Ozzy opnieuw een verkoopbaar merk. Met succes: zijn solocarrière kreeg vleugels, zijn imago werd opgepoetst, en ondanks herhaaldelijk hervallen, zou hij vanaf 2013 nuchter blijven.
De knuffelbare duisternis
De jaren 2000 brachten een opmerkelijke wending. Ozzy, die in de jaren 80 nog werd aangeklaagd omwille van de duistere inhoud van zijn nummers, werd plots een cultfiguur bij gezinnen met kabeltelevisie. De realityshow The Osbournes liet een publiek kennismaken met de ravottende, klunzige, soms aandoenlijke vaderfiguur die geen afstandsbediening kon hanteren maar wel miljoenen harten veroverde. De man die zijn leven lang met de dood had geflirt, was plots de ster van zondagavond.
Dat hij het tot 76 zou schoppen, had niemand gedacht – Ozzy zelf in de eerste plaats. Het feit dat hij tot zijn laatste weken optrad, is op zich al een medisch mirakel. Dat hij voor zijn afscheidsconcert van 5 juli maandenlang revalideerde en trainde, bewijst dat er achter de chaos ook discipline zat. Hij deed aan krachttraining, fietstochten en zangrepetities, enkel en alleen om nog één keer te kunnen schreeuwen: “I fucking love you all.”
Een zittende legende
Door de ziekte van Parkinson en andere gezondheidsproblemen kon hij het optreden alleen zittend volbrengen. Toch maakte hij indruk. Zijn stem was broos, maar herkenbaar. Zijn lichaam was oud, maar de geest bleef rebels. Terwijl de gitaren gierden en het vuurwerk knalde, zat Osbourne op zijn troon alsof hij het allemaal had voorzien: dit was zijn afscheid, zijn finale buiging – en niemand zou het hem meer afpakken.
Nuchter tot het einde
Zijn laatste jaren bracht hij door in relatieve rust. De wilde jaren maakten plaats voor kleinkinderen, reflectie en berusting. Hij gaf openlijk toe dat hij zijn fortuin én zijn gezondheid bijna volledig had opgeofferd aan een cocktail van roem en verslaving. Maar tegelijk bleef hij zichzelf trouw: een artiest die zijn demonen niet verstopte, maar ze op het podium smeet, in de vorm van muziek, schreeuw en spektakel.
Dinsdag is Ozzy Osbourne in het bijzijn van zijn familie overleden. Een legende die zijn laatste jaren opnieuw opbouwde met evenveel vastberadenheid als hij zijn jeugd verwoestte. De man die de duisternis belichaamde, koos uiteindelijk voor het licht van zijn gezin. De wereld verliest een zeldzaam figuur – onnavolgbaar, onvervangbaar, en vooral onvergetelijk.
Rust zacht, Ozzy. Je hebt je plekje in de hel ongetwijfeld zelf ontworpen – maar wie weet wordt het toch de hemel. En met een beetje geluk: zonder bubbels.
(Foto: Shutterstock)