Het is ‘van den hond’.
De Sint-Bernardshond heeft een geschiedenis die bijna even indrukwekkend is als zijn gestalte. Oorspronkelijk werd het ras in de Alpen gefokt door monniken van het klooster en opvanghuis op de Grote Sint-Bernhardpas, een gevaarlijke doorgang tussen Zwitserland en Italië. Al in de 17e eeuw zetten de monniken deze krachtige honden in voor het zwaarste werk: sneeuwstormen trotseren, reizigers zoeken die in lawines terechtkwamen en gestrande bergreizigers begeleiden naar veiligheid.
Door hun scherpe reukzin, kracht en onverstoorbare rust werden Sint-Bernards legendarische redders, later vereeuwigd in talloze verhalen en schilderijen — vaak met het iconische tonnetje rond de nek, al is dat vooral folklore. In de 19e eeuw kruisten fokkers de honden met Newfoundlanders om het ras robuuster te maken, wat leidde tot de grote, vriendelijke reus zoals we die vandaag kennen: zacht van karakter, trouw aan zijn gezin en nog altijd een symbool van onvoorwaardelijke hulpvaardigheid.