Logo P-magazine Regio Zoeken Rubrieken

Iedereen wil de middenklasse sparen: alleen moet iemand die 10 miljard betalen

Stefan Lambrechts - 03-10-2026

PhotoNews

De Vlaamse begrotingsmaatregelen zijn nog maar net verteerd of daar komt de federale regering al met de volgende rekening aanzetten. Premier Bart De Wever en zijn ploeg zoeken miljarden om de Belgische begroting weer enigszins toonbaar te krijgen. Eén groep hoeft zich alvast geen zorgen te maken: de middenklasse. Die wil namelijk werkelijk iedereen sparen. Er is alleen een klein praktisch probleem. De middenklasse is ongeveer iedereen bij wie nog iets te halen valt.

Belgische begrotingsonderhandelingen hebben iets weg van een familie-etentje waarop aan het einde van de avond een rekening van een paar duizend euro op tafel verschijnt.

Iedereen heeft uitstekend gegeten, nonkel Jos heeft drie cognacs besteld en iemand vond het nodig om champagne voor de hele tafel te laten komen, maar zodra de ober met het betaalbakje verschijnt, begint plots een bijzonder diepgaand debat over wie eigenlijk maar één voorgerecht heeft genomen.

Zo ongeveer zit België er momenteel bij. De federale regering zoekt een miljardenbedrag om de begroting de komende jaren bij te sturen. Dat is geen verzonnen probleem van politici die graag tijdens het weekend vergaderen. België zit in de Europese procedure voor landen met een buitensporig tekort en de Europese Commissie verwachtte in haar voorjaarsraming dat het Belgische overheidstekort in 2026 rond 5,2 procent van het bruto binnenlands product zou blijven hangen. Ook de staatsschuld blijft hoog en stijgt volgens die prognoses verder.

Er moet dus iets gebeuren. Alleen begint daarna het moeilijkste onderdeel van iedere Belgische begroting: beslissen wie het mag betalen.

De middenklasse? Zeker niet!

Vraag het aan ongeveer eender welke politieke partij en één ding staat vast: de middenklasse moet worden ontzien.

Logisch ook. De middenklasse werkt, voedt kinderen op, koopt huizen, betaalt belastingen en heeft bovendien de vervelende gewoonte om in grote aantallen te gaan stemmen.

Daar wil je voorzichtig mee omspringen en dus moet het geld elders worden gezocht.

Bij de hoogste vermogens bijvoorbeeld. Of bij bedrijven. Bij fraudeurs. Bij mensen die niet werken. Bij de overheid zelf. Bij fiscale achterpoortjes. Bij inefficiëntie. Bij consultants. Bij managementvennootschappen. Bij “de sterkste schouders”, een bevolkingsgroep die tijdens begrotingsonderhandelingen bijzonder groot lijkt maar waarvan merkwaardig genoeg bijna niemand zichzelf lid vindt.

Het klinkt allemaal uitstekend, tot iemand vraagt hoeveel geld het oplevert. Want miljarden vinden zonder brede groepen te raken is een beetje zoals tien kilo afvallen zonder minder te eten of meer te bewegen én zonder Ozempic te gebruiken: theoretisch klinkt het aantrekkelijk, praktisch wordt het ingewikkelder.

Wie is die middenklasse eigenlijk?

Daar zit meteen een ander probleem. Iedereen praat voortdurend over de middenklasse, maar niemand loopt rond met een officiële middenklassekaart in zijn portefeuille.

Een koppel met twee doorsnee lonen en twee kinderen? Middenklasse. Een alleenstaande met een degelijk loon? Waarschijnlijk ook. Een zelfstandige die goed verdient maar zelf zijn pensioen moet organiseren? Kan eveneens.

Een gezin met een eigen woning, twee auto's en een gezamenlijk inkomen dat boven het gemiddelde ligt? Voor je het weet noemt ook dat zichzelf middenklasse.

Het begrip is politiek bijzonder handig omdat bijna iedereen zich erin kan herkennen. Weinig mensen staan 's morgens voor de spiegel en denken: kijk eens aan, daar staat nu echt een lid van de economische bovenlaag.

Dat maakt de belofte “wij beschermen de middenklasse” ongeveer even gemakkelijk als zeggen dat je “de gewone Belg” beschermt.

Iedereen knikt, tot de factuur komt.

Daar zit nu eenmaal het geld

Politicoloog Carl Devos verwoordt in HLN vrij duidelijk waarom de middenklasse moeilijk volledig buiten schot kan blijven: maatregelen die echt veel geld opleveren, treffen doorgaans veel mensen. Dat is minder ideologisch dan rekenkundig.

Je kunt natuurlijk een belasting invoeren die uitsluitend de honderd rijkste Belgen treft. Maar wanneer je daar miljarden structureel mee wilt ophalen, moet je per persoon bedragen innen waarbij zelfs hun accountant even aan het raam gaat staan.

Aan de andere kant kun je zeggen dat de overheid vooral zelf moet besparen. Alleen bestaat ook “de overheid” niet uit een magazijn vol mensen die de hele dag patience spelen en voor de gezelligheid een salaris krijgen.

Grote overheidsuitgaven zijn onder meer pensioenen, gezondheidszorg, sociale uitkeringen, onderwijs, lonen en allerlei vormen van dienstverlening. Begin je daar miljarden uit te halen, dan ontdek je vroeg of laat opnieuw burgers.

Dan verhogen we toch gewoon de btw?

Een opvallende passage in het HLN-stuk komt van arbeidseconoom Stijn Baert. Hij wijst erop dat een mogelijke btw-verhoging niet alleen werkenden treft, maar iedereen die consumeert, en ziet daarin een vorm van herverdeling waarvan de middenklasse volgens hem zelfs blij zou kunnen worden.

Daar hebben we toch een beetje onze bedenkingen bij. Een btw-verhoging kijkt namelijk niet eerst naar je loonbriefje voordat ze wordt aangerekend. De kassierster vraagt niet of je bruto 2.400 of 8.000 euro verdient voordat ze de prijs van je boodschappen berekent.

Hoe zo'n verhoging verschillende inkomensgroepen uiteindelijk treft, hangt sterk af van welke producten en tarieven worden aangepast en welke compensaties er tegenover staan. Lagere inkomens besteden bovendien doorgaans een groter deel van hun beschikbare inkomen aan consumptie.

“De middenklasse moet blij worden van hogere btw” lijkt ons daarom een slogan die bij de gemiddelde bakker op maandagochtend nog enige verkoopstechniek zal vereisen.

De rijkentaks lost alles op. Of toch niet?

Aan de andere kant van het debat duikt dan de vermogensbelasting op. Politiek klinkt die aantrekkelijk: haal meer bij mensen die meer hebben.

Daar kun je perfect voor kiezen. Alleen blijft ook daar de vraag hoeveel een maatregel werkelijk en structureel opbrengt, hoe ze wordt vormgegeven en welke gedragsreacties ze veroorzaakt.

Kapitaal heeft namelijk één groot voordeel tegenover een gezin met twee schoolgaande kinderen en een huis in Lier.

Het kan gemakkelijker verhuizen. Je kunt dus belastingen op grote vermogens verhogen, maar wanneer je miljarden zoekt, kom je opnieuw bij dezelfde vervelende vaststelling uit: met één wondermaatregel ben je er waarschijnlijk niet.

Begrotingen zijn zelden opgelost met één spectaculaire belasting op iemand anders..

Geert Noels draait het helemaal om

Econoom Geert Noels maakt in dezelfde krant nog een ander punt. Volgens hem moeten we minder praten over wie door de besparingen wordt getroffen en meer aanvaarden dat de Belgische overheidsfinanciën moeten worden aangepakt.

Daar zit een feitelijke kern onder. Volgens de Europese Commissie bedroeg het Belgische overheidstekort in 2025 ongeveer 5,2 procent van het bbp en liep de overheidsschuld eind dat jaar op tot bijna 108 procent. Zonder voldoende correctie verwachtte de Commissie dat die schuldgraad verder zou stijgen, maar daarna begint de politiek.

Dat er een begrotingsprobleem is, vertelt namelijk nog niet hoe je het moet oplossen.

Meer belastingen, lagere uitgaven, hervormingen van pensioenen en arbeidsmarkt, een andere fiscaliteit, besparen op administratie of een combinatie daarvan: dat zijn keuzes. Europa legt België een begrotingstraject op, maar schrijft niet op iedere Belgische belastingbrief wie exact hoeveel extra moet ophoesten. De Europese aanbevelingen leggen België wel maximale groeipaden voor de netto-uitgaven op, met bijkomende flexibiliteit voor hogere defensie-uitgaven.

En precies daarover maken politieke partijen ruzie: daar zijn politieke partijen uiteindelijk voor uitgevonden.

Iedereen wil werken belonen

Het wordt nog mooier wanneer we naar werk kijken. Vrijwel iedere partij is het erover eens dat werken meer moet lonen.

Daar valt electoraal weinig tegenin te brengen. “Werken moet eigenlijk wat minder lonen” blijft een moeilijke slogan om op een verkiezingsbord te krijgen.

De federale regering heeft daarom een lastenverlaging voor werkenden aangekondigd. Tegelijk moet ze miljarden vinden om haar begroting te saneren.

Daar ontstaat een merkwaardige rondedans. Je haalt ergens geld op, geeft elders geld terug, past een belasting aan, hervormt een uitkering, verandert een indexmechanisme en probeert er uiteindelijk voor te zorgen dat de burger op zijn loonbriefje ziet dat werken meer loont.

De burger kijkt ondertussen vooral naar zijn bankrekening. Die heeft namelijk nog nooit een regeerakkoord gelezen.

De salariswagen rijdt ook weer voorbij

En uiteraard komt vroeg of laat de salariswagen voorbij. Geen Belgische fiscale discussie is compleet zonder een bedrijfswagen die ergens door het beeld rijdt.

Je kunt het fiscale voordeel ervan verminderen en daarmee inkomsten zoeken, maar dan raak je opnieuw een deel van de werkende midden- en hogere middenklasse. Je kunt het systeem behouden, maar dan laat je mogelijke inkomsten liggen.

Hetzelfde probleem zie je bij remgeld, indexering, fiscale voordelen, dienstencheques en talloze andere maatregelen. Iedere knop waaraan je draait, blijkt verbonden met iemand. En die iemand vindt zichzelf doorgaans middenklasse.

Het interessante aan de discussie is daarom niet of de middenklasse zal betalen. De interessantere vraag is hoeveel, via welke weg en wat ze ervoor terugkrijgt.

Want Devos raakt een belangrijk punt: draagvlak voor een sanering hangt niet alleen af van het bedrag dat mensen verliezen. Mensen willen ook het gevoel hebben dat de lasten enigszins eerlijk verdeeld zijn en dat de inspanning ergens naartoe leidt.

Wanneer je vandaag meer betaalt maar over enkele jaren een gezondere begroting, lagere rentelasten en een beter functionerende overheid krijgt, kun je daar een politiek verhaal van maken.

Wanneer je vandaag meer betaalt en over vier jaar opnieuw hoort dat er dringend miljarden moeten worden gezocht, wordt het moeilijker. België kent dat laatste gevoel ondertussen behoorlijk goed.

De ober staat nog altijd aan tafel

En zo komen we terug bij onze restaurantrekening. Links kijkt naar de rijkste tafelgenoot. Rechts vraagt wie eigenlijk al die dure flessen heeft besteld. De ondernemer vindt dat hij gisteren al betaald heeft, de werknemer toont zijn loonbriefje en de gepensioneerde wijst erop dat hij veertig jaar heeft gewerkt.

Iedereen heeft een punt. De ober interesseert het weinig: die rekening moet betaalt worden en zolang dat niet gebeurt is, vertrekt er niemand.

De Belgische overheid kan die rekening verdelen zoals ze wil. Ze kan meer inkomsten zoeken, minder uitgeven, hervormen of alles tegelijk doen. Dat zijn politieke keuzes waarover partijen en uiteindelijk kiezers van mening kunnen verschillen.

Maar één rekensom valt moeilijk weg te onderhandelen: wie miljarden structureel wil vinden, zal maatregelen moeten nemen die verder gaan dan een handvol mensen.

En daarmee komen we helaas opnieuw uit bij die middenklasse die iedereen zo graag wil sparen.

Want in België is er één ding nog groter dan de middenklasse: de rekening.

Nationale politiek Nieuws nationaal

Reacties

Resterende karakters 500

Lees meer

Nieuwsbrief Mis nooit meer het laatste nieuws, exclusieve aanbiedingen en boeiende verhalen van P-magazine! Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief en blijf altijd op de hoogte.
Zoeken