Regering-De Wever schroeft de opzegvergoeding terug tot één jaar.
De Belgische arbeidsmarkt staat een koude douche te wachten, al probeert men het in politieke kringen voor te serveren als een verfrissende hervorming. Eén zinnetje in het regeerakkoord van de federale regering – “de opzegvergoeding wordt geplafonneerd op maximaal 52 weken” – legde in stilte een dynamietstaaf onder het huidige ontslagbeleid. In mensentaal: wie buitenvliegt bij zijn werkgever, zal voortaan nooit meer dan één jaar loon meekrijgen. Geen royale driejarige afscheidsbedankingen meer. Geen vetpotten als verzachtende omstandigheid. Gewoon: bedankt en tot ziens, met maximaal 52 weken extra op de teller. De rest is jouw probleem.
Vergeet je anciënniteit
Vandaag kan de opzegvergoeding bij een ontslag makkelijk oplopen tot anderhalf, twee of zelfs drie jaar brutoloon – zeker voor werknemers met een indrukwekkende anciënniteit of een carrière die begon vóór de hervormingen van het eenheidsstatuut in 2014. Dat is geen uitzondering, dat is systeemwerk. De Belgische werknemer wist: wie lang bleef plakken, werd niet zomaar aan de deur gezet. Dat systeem leverde zekerheid op voor de werknemer en hoofdbrekens voor de werkgever.
De nieuwe regel – voorlopig nog niet meer dan een beleidsintentie – haalt daar rücksichtslos de schaar door. De federale logica klinkt als: minder kosten voor bedrijven, meer “dynamiek” op de arbeidsmarkt. Of: makkelijker kunnen ontslaan betekent makkelijker kunnen aanwerven. Al blijft het natuurlijk vooral makkelijker kunnen ontslaan.
Oude rechten, nieuwe gewoontes?
Volgens de huidige contouren zou het geplande plafond enkel gelden voor nieuwe aanwervingen. Met andere woorden: wie al in dienst is, zou buiten schot blijven – althans voorlopig. Een symbolische hervorming dus, waarvan de echte impact pas jaren later zichtbaar wordt. Tegen dan zijn de verantwoordelijke ministers al lang met politiek pensioen.
Maar het blijft afwachten. De achterpoortjes en interpretaties liggen nog open. Worden enkel de post-2014 opgebouwde rechten beperkt? Gaat het plafond per direct in voor alle contracten, wat juridisch op weerstand zou stuiten? Eén ding is zeker: in de werkmappen van minister van Werk Clarinval wachten nog veel rode potloden, want elk detail kan het verschil betekenen tussen sociaal aanvaardbaar en electoraal suïcidaal.
De werkgever lacht in zijn vuistje
Voor werkgevers is deze hervorming een cadeautje met een gouden strik. Al jarenlang wordt er gezeurd – pardon: gelobbyd – om de ontslagkost in België te verlagen. Niet omdat ze niet begrijpen dat werknemers recht hebben op bescherming, maar omdat die bescherming in euro’s wordt gemeten, en dat loopt in ons land behoorlijk op. In tegenstelling tot Nederland bijvoorbeeld, waar ontslaan moeilijker is maar goedkoper, zitten Belgische bedrijven met een paradox: je mag makkelijk iemand buitenkieperen, als je er maar flink voor betaalt.
Met dit voorstel wordt die paradox rechtgetrokken in het voordeel van de werkgever. Wie zich nog vastklampte aan een vet opzegbudget als vangnet, moet straks rekenen op minder.
Vakbonden in de startblokken, maar zonder hefboom
De sociale partners – lees: de vakbonden – zullen dit lik op stuk als een nieuwe mokerslag ervaren. Maar hun machtspositie is flinterdun. In het regeerakkoord is de richting al uitgetekend, en wie tussen de lijnen leest, merkt dat het verzet van de traditionele werknemerspartijen binnen de regering al grotendeels gepacificeerd is. Enkel het ‘hoe’ ligt nog op tafel. Het ‘of’ lijkt al beslist.
Vooruit, CD&V en Les Engagés zullen moeten kiezen: zichzelf profileren als beschermers van de arbeider, of de ruggengraat van de coalitie niet breken. Intussen wrijven werkgeversorganisaties zich zachtjes in de handen.
Dynamiek als ideologie
De verdediging van de maatregel klinkt als een plaat die blijft hangen: dit moet de arbeidsmarkt “vernieuwen”. Volgens de gangbare theorie zorgt een lagere ontslagvergoeding voor meer mobiliteit. Werknemers blijven minder lang hangen uit angst om hun opgebouwde opzegpremie te verliezen, werkgevers durven makkelijker afscheid te nemen van personeel dat niet meer rendeert. En dat zou dan weer leiden tot een meer dynamische economie, meer leerkansen, meer productiviteit, en meer geluk – zoals alleen beleidsmakers dat kunnen dromen in tabellen en modellen.
In de praktijk is het maar de vraag of oudere werknemers die vandaag buitenvliegen ook morgen nog een job vinden. België staat bekend als kampioen ageism op de arbeidsmarkt. Wie boven de 50 is, kan zich na ontslag meestal beter inschrijven voor een cursus yoga dan voor een jobbeurs.
Zachte woorden, harde realiteit
Ook al serveren onze politici de hervorming als een technocratische correctie – “we brengen opzegvergoedingen in lijn met Europese normen” – in werkelijkheid is het een nieuwe stap in de afbouw van sociale bescherming. De boodschap is duidelijk: zekerheid wordt geruild voor flexibiliteit. En als je dat niet aankan, mag je gaan doppen. Voor maximum twee jaar.
De federale regering droomt van een slankere, snellere arbeidsmarkt. Maar als de bescherming dunner wordt dan een ontslagbriefje, zullen velen zich afvragen wie hier nu echt vooruitgaat. Wie straks buitenvliegt, krijgt geen gouden parachute meer. Hoogstens een jaarloon als afkoopsom. Daarna is het vliegen of vallen.
(Foto: Shutterstock)