Logo P-magazine Regio Zoeken Rubrieken

Gewond, gevlucht en vrij: de vijf Engelse jaren die van Constant Permeke een schilder maakten

Redactie - 30-10-2026

Een kleine advertentie in een Engelse krant, ergens in 1917: "Flat to let – Cottage for nothing – Sidford." Een gratis huisje dus, in een dorp aan de kust van Devon, en een Belgische schilder met een kapotgeschoten been, een vrouw, een moeder en twee kleine kinderen die het meteen aannemen. Wie in Jabbeke de tentoonstelling over de Engelse jaren van Constant Permeke bezoekt, ziet hoe een gevluchte soldaat in vijf jaar ballingschap de schilder werd die we vandaag kennen. Wie nog wil gaan, moet opschieten: op 15 november sluit ze.

Een granaatscherf bij Duffel

In de eerste weken van de oorlog vocht Permeke mee bij de verdediging van de fortengordel rond Antwerpen. Bij Duffel boorde een granaatscherf zich in zijn been, zo zwaar dat amputatie dreigde, en voor hem was de oorlog voorbij. Nog voor Antwerpen op 9 oktober 1914 viel, werden de gewonden via Oostende naar Engeland overgebracht. Zijn hoogzwangere vrouw Maria Delaere en zijn moeder volgden hem over het Kanaal.

Ze waren niet alleen. Tot het einde van de oorlog verbleven ongeveer 200.000 Belgische vluchtelingen in het Verenigd Koninkrijk. Het gezin Permeke kreeg hulp van het Rode Kruis en van de opvangcomités en verhuisde eind 1914 naar Stanton Saint Bernard, een dorpje in Wiltshire, waar de bewoners hen een jaar lang onderhielden in een klein huisje.

Van Wiltshire naar de heuvels van Devon

In 1916 trok de familie verder naar het zuiden, naar Chardstock, een behoudsgezind dorp op de grens van Devon, Dorset en Somerset. Ze deelden er een huisje met een ander Oostends gezin en Permeke kreeg een atelier onder het dak van de dorpsschool. Daar ontstonden veel van zijn sterkste Engelse doeken. Later volgde het huisje uit de advertentie in Sidford, dat hij Den Braekel noemde, net als zijn huis in Sint-Martens-Latem voor de oorlog.

Met de kunstwereld had hij nauwelijks contact. Hij kende Belgische kunstenaars die ook in Engeland zaten, zoals Edgard Tytgat, George Minne en Léon de Smet, en via brieven van Gustave De Smet en de criticus André De Ridder, die in Nederland verbleven, volgde hij van ver wat er gebeurde met het kubisme en het Duitse expressionisme. Juist dat isolement gaf hem ruimte. De wijde, glooiende heuvels van Devon zetten hem aan tot grote formaten en dikke, ruwe olieverf, met het penseel en het paletmes aangebracht, in kleuren die heftiger waren dan alles wat hij in Latem had geschilderd.

Sterk en onversneden, zoals whisky

Uit die jaren stammen 'De slager' en 'De vreemdeling' uit 1916, dat laatste vandaag in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel, en 'De ciderdrinker' uit 1917. De Engelse critici wisten niet goed wat ze ermee moesten. Bernard Falk noemde 'De slager' het pronkstuk van een Londense tentoonstelling en schreef dat kunstliefhebbers die hun kunst "zoals hun whisky, sterk en onversneden" willen, het doek zouden verwelkomen. Tegelijk wees hij op het diepgewortelde conservatisme van het Engelse publiek. De dichter Jean de Bosschère prees in 1917 dan weer "het heerlijke groen van Permeke".

In de tentoonstelling hangen dertig tot vijfendertig werken, voor het overgrote deel van Permeke zelf, aangevuld met werk van andere Belgische kunstenaars die de oorlog in Engeland doorbrachten.

De dorpen die Permeke onderdak gaven

Opvallend in het verhaal is hoe belangrijk de gastvrijheid van enkele Engelse dorpen voor Permeke werd. Een dorp dat een jaar lang een vreemd gezin onderhield, opvangcomités die Belgische vluchtelingen hielpen en uiteindelijk een advertentie waarin iemand zelfs een huisje gratis ter beschikking stelde: zonder die hulp waren de Engelse jaren van Permeke wellicht heel anders verlopen.

En net in die gedwongen ballingschap kreeg zijn werk een nieuwe richting. Ver weg van de Belgische kunstwereld, omringd door het Engelse landschap en met alle tijd om te schilderen, ontstond een stijl die later onlosmakelijk met zijn naam verbonden zou raken.

In april 1919 keerde Permeke terug naar Oostende. Tien jaar later verhuisde hij naar Jabbeke, waar hij in het huis aan de Gistelsteenweg woonde en werkte tot zijn dood in 1952. Dat huis is vandaag het Permekemuseum en meteen de mooiste plek om te zien waar die Engelse jaren hem brachten: naar 'Gouden oogst', 'De grote marine' en de zware, aardse figuren die hem tot het boegbeeld van het Vlaamse expressionisme maakten.

De tentoonstelling krijgt weinig aandacht, in de schaduw van de grote publiekstrekkers in Antwerpen en Brussel. Dat is onterecht, want zelden zie je zo scherp hoe een oorlog, een wond en een gedwongen verblijf in een vreemd land een kunstenaar veranderen.

Praktisch

Constant Permeke. De Engelse jaren (1914-1919) – Permekemuseum, Gistelsteenweg 341, Jabbeke. Tot en met 15 november 2026.
Toegang 12 euro, jongeren tot 25 jaar 3 euro, kinderen tot 12 jaar gratis.
Catalogus in het Nederlands, Engels en Frans, uitgegeven bij MER. Books.

(Foto: Mu.Zee)

Mu.zee Permeke Expo

Reacties

Resterende karakters 500

Lees meer

Nieuwsbrief Mis nooit meer het laatste nieuws, exclusieve aanbiedingen en boeiende verhalen van P-magazine! Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief en blijf altijd op de hoogte.
Zoeken