Als kunstenaars het geweten van de samenleving zijn, mogen ze dan ook op tenen trappen? Over provocatie, echte pijn en de grens tussen maker en publiek.
Er bestaat een soort kunst die je rustig in de living boven de zetel hangt en meteen weer vergeet. Mooi, braaf, ongevaarlijk. En er bestaat kunst die je een klap in het gezicht geeft, waar je boos van wordt of misselijk, en waar je 's nachts nog aan denkt. Raad eens welke van de twee de geschiedenis haalt.
Kwetsen als beroep
Provoceren zit in het DNA van de kunst. Schilders die de kerk beledigden, schrijvers die de macht uitlachten, cartoonisten die niets en niemand spaarden — telkens klonk hetzelfde verwijt: dit gaat te ver. Charlie Hebdo betaalde er met levens voor. Salman Rushdie kreeg een fatwa aan zijn broek. Andres Serrano zette een kruisbeeld in urine en zette daarmee een half land in brand. Vervelend? Zeker. Maar precies die schok dwingt je om te kijken naar wat je liever wegstopt. Een kunstenaar die niemand tegen de haren in strijkt, doet zijn werk niet.
Onze Jan
Of neem Jan Fabre, jarenlang het boegbeeld van de Vlaamse provocatiekunst. Zijn theater schokte met bloed, naaktheid en geweld, en dat gold als zijn handtekening. Tot twintig (ex-)dansers van zijn gezelschap Troubleyn in 2018 een open brief schreven: achter de "artistieke vrijheid" zat volgens hen een systeem van vernedering en seksuele chantage. "Geen seks, geen solo", klonk het. In 2022 veroordeelde de rechtbank in Antwerpen hem tot achttien maanden met uitstel voor geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag tegenover zes vrouwen, plus aanranding. Zijn verdediging riep nog de "artistieke vrijheid" in. De rechter niet. Hier valt de grens messcherp: provoceren op een podium is één zaak, echte mensen kapotmaken achter de schermen een andere.
Want de pijn is echt
Niet elke provocatie is een heldendaad. Er is een verschil tussen een grap over de machtigen en een trap na aan wie al onderligt. Het eerste heet lef, het tweede vaak gewoon pesten met een lijstje eromheen. Wie zich verschuilt achter "het is maar kunst" om ongestraft te kwetsen, misbruikt de vrijheid die echte makers met bloed hebben afgedwongen. En het publiek is geen decor: mensen hebben gevoelens, een geschiedenis, littekens. Die wegwuiven omdat jij nu eenmaal je punt wou maken, is geen moed. Dat is arrogantie.
Wie beslist waar de grens ligt?
Het is een lastige vraag die wringt en schuurt. Zodra je zegt "dit mag niet meer", geef je iemand de macht om te bepalen wat wel en niet getoond wordt — en die iemand heeft zelden jouw smaak. Vandaag verdwijnt een schilderij omdat het te bloot is, morgen een boek omdat het te kritisch is. De afrekencultuur die vindt dat alles wat kwetst moet verdwijnen, en de ouderwetse censor die net hetzelfde vindt, geven elkaar verdacht vaak een hand. Het echte verschil zit niet in óf kunst mag choqueren, maar in wat de schok oplevert. Choqueren om iets bloot te leggen is kunst. Choqueren om te choqueren is een puber die "kaka" roept aan tafel.
De rekening en de vrijheid
Dus ja, kunst mag kwetsen. Ze moet het zelfs kunnen, anders is ze tandeloos. Maar de vrijheid om te provoceren is niet hetzelfde als vrijheid van reactie. Wie een storm oproept, mag niet klagen dat het waait. De maker heeft het recht om te schoppen; het publiek heeft het recht om terug te roepen. Dat heen en weer is geen bedreiging voor de kunst, dat ís de kunst. Pas op de dag dat niemand nog geraakt wordt, is er echt een probleem. Want kunst die niemand meer kan kwetsen, kan ook niemand meer raken.
(Foto: YouTube)