In 1986 liet Jan Hoet kunstenaars binnen in Gentse woonkamers, slaapkamers en traphallen. Chambres d’Amis groeide uit tot een van de meest spraakmakende tentoonstellingen uit de Belgische kunstgeschiedenis. Veertig jaar later haalt S.M.A.K. de herinnering op, met een ongemakkelijke gedachte op de achtergrond: waar is vandaag nog plaats voor zo’n artistieke vrijpostigheid?
In de zomer van 1986 gebeurde er in Gent iets wat de kunstwereld niet meteen zag aankomen. Hedendaagse kunst trok de stad in, maar niet in de vorm van een openluchttentoonstelling of een verzameling beelden op pleinen. Curator Jan Hoet stuurde kunstenaars naar de privéwoningen van Gentenaars. Daar kregen hun werken een plek tussen de meubels, de familiefoto’s en het dagelijkse leven. De woonkamer werd tentoonstellingsruimte, de slaapkamer artistiek terrein en de bewoner tijdelijk gastheer van de internationale kunstwereld.
Voor Chambres d’Amis stelden 51 kunstenaars uit binnen- en buitenland werk tentoon in evenveel privéwoningen. De bewoners moesten hun huis niet omvormen tot een museum. Het was net de confrontatie met de bestaande omgeving die het project zijn kracht gaf. Een kunstwerk kwam terecht in een ruimte die al een geschiedenis had, met persoonlijke gewoontes, herinneringen en gebruikssporen. Bezoekers betraden geen neutrale museumzaal, maar het leven van iemand anders.
Een museum dat zijn eigen grenzen overschreed
Het idee was even eenvoudig als radicaal: kunst hoefde niet te wachten tot het publiek naar het museum kwam. Het museum kon zelf naar buiten trekken. Daarmee zette Hoet de gebruikelijke verhoudingen op scherp. Wie bepaalde waar kunst thuishoorde? Wie mocht ernaar kijken? En waarom zou een kunstwerk pas ernstig genomen worden wanneer het op een witte sokkel of aan een zorgvuldig verlichte muur stond?
Chambres d’Amis maakte van Gent een tijdelijke kunststad. De bezoeker moest zich verplaatsen, zoeken en soms letterlijk aanbellen. De stad werd een parcours en de bewoners werden deel van de tentoonstelling. Het project haalde kunst uit haar vertrouwde omgeving en bracht haar in contact met mensen die niet noodzakelijk uit zichzelf een museum zouden binnenstappen.
Tegelijk stelde het experiment de autonomie van het kunstwerk ter discussie. Een werk dat in een privéwoning terechtkomt, krijgt onvermijdelijk te maken met de architectuur, de smaak en de gewoontes van de bewoners. De omgeving is geen decor dat je achteraf kunt uitwissen. Ze maakt deel uit van de ervaring.
Veertig jaar later opnieuw binnen de museummuren
S.M.A.K. viert de verjaardag met een tentoonstelling die terugblikt op het historische project en tegelijk onderzoekt wat ervan overblijft. De presentatie brengt achttien werken uit Chambres d’Amis samen die vandaag deel uitmaken van de museumcollectie. Heike Pallanca, Haim Steinbach en Susanne Kriemann werden uitgenodigd om elk een eigen museumzaal – een ‘chambre’ – te ontwerpen vanuit hun artistieke praktijk.
Daarmee verschuift de oorspronkelijke ingreep naar een andere context. Werken die destijds buiten het museum werden gemaakt of getoond, krijgen opnieuw een plaats binnen de institutionele muren. De kunstenaars onderzoeken hoe die objecten vandaag kunnen worden bekeken en welke betekenis hun oorspronkelijke omgeving nog heeft. Het iconische werk Le Décor et son Double van Daniel Buren vormt het middelpunt van een documentaire presentatie, opgebouwd rond archiefmateriaal in samenwerking met de Herbert Foundation.
Daar zit ook enige ironie in: het museum viert een project dat zijn eigen grenzen openbrak door de resultaten ervan opnieuw in het museum onder te brengen. Een historische tentoonstelling laat zich natuurlijk niet zomaar reconstrueren en de oorspronkelijke huizen zijn intussen veranderd, verkocht of verdwenen. Toch blijft de spanning voelbaar tussen het vrije experiment van toen en de gecontroleerde presentatie van vandaag.
Is er nog plaats voor een nieuw Chambres d’Amis?
De kunstwereld is intussen grondig veranderd. Musea werken met internationale bruiklenen, uitgebreide veiligheidsvoorschriften, verzekeringen, publieksstromen en professionele communicatie. Kunstenaars krijgen steeds vaker te maken met een circuit waarin zichtbaarheid, institutionele erkenning en marktwaarde zwaar doorwegen. Dat maakt grootschalige experimenten buiten de vertrouwde infrastructuur niet onmogelijk, wel ingewikkelder.
Een nieuw Chambres d’Amis zou vandaag bovendien andere vragen oproepen. Wie stelt zijn woning nog open voor onbekenden? Hoe verhouden privacy, veiligheid en sociale media zich tot een tentoonstelling die mensen letterlijk bij elkaar binnenbrengt? En kan een kunstproject nog spontaan de stad in trekken zonder meteen te worden ingepast in een cultureel merk of een toeristische campagne?
De verdienste van Chambres d’Amis ligt precies in het feit dat het die vragen niet vooraf dichttimmerde. Het project vertrouwde op de ontmoeting tussen kunstwerk, woning en bezoeker. Soms ongemakkelijk, soms verrassend, altijd afhankelijk van de plek. Het was een tentoonstelling die de controle gedeeltelijk uit handen gaf.
Veertig jaar later is de herinnering aan die vrijpostigheid nog altijd relevant. De tentoonstelling in S.M.A.K. brengt de geschiedenis opnieuw in beeld, maar laat ook zien hoe moeilijk het is om een radicale daad te bewaren zonder haar onschadelijk te maken. Een kunstwerk kan je verplaatsen, restaureren en opnieuw ophangen. De omstandigheden die het ooit zo bijzonder maakten, zijn een stuk lastiger terug te halen.
(Foto: Contemporary Art Daily)