Zet een mantel van Harry Potter achter glas, bouw Zweinstein een beetje na en mensen trekken zonder morren hun portefeuille open. Zet een onbekend kunstwerk in een witte zaal en plots moet iedereen overtuigd worden dat een museum best leuk kan zijn. Harry Potter: The Exhibition in Brussels Expo laat vooral zien hoe groot het verschil is tussen cultuur die zichzelf verkoopt en cultuur die eerst moet uitleggen waarom je ze zou moeten bekijken.
De tovenaarswereld van Harry Potter heeft geen introductie meer nodig. Generaties groeiden op met de boeken en films, kennen Zweinstein op hun duimpje en weten wat er gebeurt wanneer iemand een toverstok bovenhaalt.
Met Harry Potter: The Exhibition haalt Brussels Expo die vertrouwde wereld naar de Heizel. De reizende tentoonstelling loopt nog tot en met 3 januari 2027 en brengt filmrekwisieten, kostuums en nagebouwde scènes samen in een interactieve ervaring. Bezoekers kunnen onder meer hun Zwerkbalvaardigheden testen en een mandragora laten groeien. Voor de gemiddelde dreuzel neemt de rondgang ongeveer een uur tot anderhalf uur in beslag.
Het concept is slim. Je kijkt niet alleen naar spullen achter glas, maar stapt voor even een wereld binnen die je al jaren kent. Voor fans is het een kans om dichter bij hun favoriete films te komen, voor gezinnen een gemakkelijke uitstap en voor Instagram een avond waarop overuren gemaakt kunnen worden.
Daar is trouwens niets mis mee. Filmkostuums, decorontwerp en rekwisieten vertellen ook iets over hoe een fictieve wereld wordt gebouwd. Alleen heeft Harry Potter één gigantisch voordeel tegenover pakweg een onbekende hedendaagse kunstenaar: de bezoeker is al verkocht vóór hij binnenstapt.
Harry hoeft zichzelf niet uit te leggen
Immersieve tentoonstellingen zijn de voorbije jaren een vaste waarde geworden. Van Van Gogh tot Titanic en Harry Potter: we kijken blijkbaar graag naar cultuur wanneer we er zelf middenin mogen staan.
Daarbij koop je niet alleen een toegangsticket voor wat er wordt tentoongesteld, maar voor een ervaring. Je loopt rond, doet dingen, maakt foto's en stuurt die vervolgens gratis de wereld in. De bezoeker is meteen ook de marketingafdeling.
Een traditioneel museum heeft het moeilijker. Daar hangt soms iets van een kunstenaar van wie je nog nooit hebt gehoord en wordt van jou verwacht dat je eerst kijkt, leest en misschien zelfs een paar minuten nadenkt voordat er iets gebeurt. In 2026 is dat bijna een revolutionair businessmodel.
Toch hoeven musea daarom niet allemaal morgen een rookmachine, lichtshow en selfiehoek te bestellen. De populariteit van zulke expo's toont vooral hoe belangrijk de manier is waarop je een publiek binnenhaalt.
Wat kan een museum daarvan leren?
In Brussel vind je tegelijk tentoonstellingen die veel minder bekende werelden openen. Bij WIELS loopt bijvoorbeeld Ali Cherri: Soul Witness tot 3 januari 2027. Cherri werkt rond archeologie, geweld, geschiedenis en de manier waarop lichamen en objecten getuigen worden van gebeurtenissen.
Daar stap je niet binnen met twintig jaar Harry Potter-herinneringen in je hoofd. Je moet het werk zelf nog ontdekken en er misschien zelfs enige moeite voor doen.
Dat klinkt minder aantrekkelijk op een reclamebord, maar kan uiteindelijk net de kracht van kunst zijn. Je krijgt niet noodzakelijk wat je verwachtte.
En daar zit misschien de interessantste les van Harry Potter: niet dat musea oppervlakkiger moeten worden, maar dat ze beter mogen worden in mensen nieuwsgierig maken. Je hoeft kunst niet te veranderen in een pretpark om de drempel lager te maken.
Want het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Een zaal vol hedendaagse kunst wordt niet automatisch diepzinnig omdat niemand begrijpt wat er aan de muur hangt, net zoals een Harry Potter-tentoonstelling niet automatisch oppervlakkig is omdat mensen er selfies maken.
Geen duel met toverstokken
Harry Potter versus de kunstwereld is uiteindelijk dus een nogal nutteloze wedstrijd. Beide proberen bezoekers iets te laten beleven, alleen beginnen ze op een totaal ander punt.
Harry Potter heeft herkenning, nostalgie en een wereldwijd merk waarvoor nauwelijks nog reclame nodig is. Een museum met onbekende hedendaagse kunst moet eerst iemand zover krijgen om binnen te stappen en daarna hopen dat wat er hangt voldoende indruk maakt om mee naar buiten te nemen.
De Harry Potter-expo heeft daarbij één toverspreuk gevonden die in de cultuurwereld bijzonder goed blijkt te werken: mensen zin geven om te komen vóór ze weten wat ze precies gaan zien.
Misschien hoeven musea Zweinstein dus niet na te bouwen.
Maar een klein beetje van die magie kunnen ze best gebruiken.
(Foto: YouTube)