De zorgsector mag zich zorgen maken.
Er was één constante in twee jaar pandemie: de problemen in de zorg. Wanneer de cijfers gingen klimmen, kregen we telkens opnieuw het doemscenario van een kapseizende zorg. Bij aanvang van de pandemie – toen iedereen ervan uitging dat wie besmet was best meteen een kist bestelde – applaudisseerden we met z’n allen om acht uur ‘s avonds voor de helden van de zorg. En jawel, zij hebben – net al zovele andere mensen in het land – offers gebracht, hard gewerkt en zaten/zitten op hun tandvlees. Elke coronamaatregel werd gemotiveerd met het argument dat we de zorg moesten sparen. Zelfs nu – nu de grote dreiging van corona lijkt afgewend – lezen we bij de minste stijging van de cijfers dat de zorg in het rood gaat.
Als dat zo is, dan zit er wat fout in het systeem zou je denken. Doch, het is niet meteen onderwerp van een acuut debat. Wat dat wel is, is het verplichten van het coronavaccin in de zorg. Vrijdag werd de prikplicht in de Kamercommissie Gezondheid goedgekeurd. De oppositie vroeg wel een tweede lezing, waardoor het ontwerp nog niet meteen naar de plenaire vergadering kan.
N-VA, Vlaams Belang en PVDA merken op dat het personeel dat zich niet wil laten inenten tegen COVID dreigt te worden geschorst of ontslagen, terwijl de zorgsector nu al met een personeelstekort kampt. Ook de vakbonden blijven zich verzetten tegen de prikplicht. Velen vragen zich dan ook af of het nog zo dringend is om de verplichting snel te stemmen in het parlement.
Voor die bezwaren is een Belgische oplossing bedacht. Oorspronkelijk zou de verplichting ingaan op 1 januari, met een overgangsperiode van drie maanden. Daarna was sprake van een inwerkingtreding op 1 juli, met de mogelijkheid om met die timing te schuiven in functie van de epidemiologische situatie. Via een amendement is nu beslist om de prikplicht pas toe te passen na een beslissing in die zin van de ministerraad.
Wanneer de verplichting van kracht zal gaan, is dus niet bekend.