Geloven kost geld, ook als je niet gelooft.
Geloof begint, waar de rede eindigt. Gelukkig zijn we in ons vrij om te geloven, we zijn echter niet vrij om te bepalen of we er geld aan willen geven. Zowel de lokale besturen als de regionale en federale overheid – lees: wij de belastingbetalers – subsidiëren voor een stukje de vijf verschillende geloofsgemeenschappen.
De federale overheid betaalt de lonen en de pensioen van de priesters, imams, enz. Het bedrag daarvoor bleef de afgelopen vijf jaar stabiel en schommelt rond de 60 miljoen euro.
Vlaanderen betaalt de leraren godsdienst. In 2021 werden voor de verschillende erkende religies 295 miljoen euro aan lerarenlonen uitgekeerd: waarvan 180 miljoen voor de god van de katholieken en 36 miljoen voor de god van de koran.
De lokale besturen zijn verplicht om gebouwen te onderhouden en te renoveren. Die sponsoring is in de loop der jaren gestegen, van 69,9 miljoen euro (2015) naar ongeveer 80 miljoen euro (2021). Moet er wat gebeuren aan een kerk, dan is het de gemeente die moet bijspringen, ongeacht hoe rijk – of arm – de kerkfabriek mag zijn.
In totaal nam de overheidssteun toe van 417 miljoen euro (2015) naar 468 miljoen euro (2021)
Geloof begint dus niet alleen waar de rede eindigt, maar ook waar onze portemonnee zich opent. Wordt het dan niet eens tijd dat de gelovigen voor de kosten van hun club instaan en zij die daar geen lidkaart van hebben, er niet langer voor moeten opdraaien?