Nieuwe minimumdoelen botsen op maximumweerstand in de Guimardstraat.
Minister Zuhal Demir (N-VA) wil de basisschool van morgen bouwen op een stevig fundament van kennis en cognitieve vaardigheden. Maar bij Katholiek Onderwijs Vlaanderen klinkt de alarmbel nog voor de eerste steen gelegd is. De grootste onderwijskoepel van het land vindt het nieuwe pakket minimumdoelen – opgesteld door een groep experts in opdracht van de minister – te zwaar, te breed en te dominant door twee vakken: wiskunde en Nederlands. En dus klinkt het vanuit de Guimardstraat: “Niet haalbaar, niet wenselijk, niet zo.”
Lesinhoud: meer rekenen, minder ruimte
Het voorstel van Demir wil basisscholen vanaf volgend schooljaar laten werken met een herwerkte set einddoelen die leerlingen beter voorbereiden op de complexe wereld buiten het klaslokaal. Vooral wiskunde en Nederlands krijgen daarin een stevige uitbreiding. Maar volgens Katholiek Onderwijs Vlaanderen is de lat niet alleen hoog gelegd, ze is ook té breed uitgesmeerd. Zo breed dat ze buiten de beschikbare lestijd valt.
De koepel vreest dat het huidige evenwicht tussen vakken sneuvelt en dat het pedagogisch project van scholen onder druk komt. Geschiedenis, aardrijkskunde, muzische vorming? Die dreigen gedegradeerd te worden tot pauzevulling. Meer klokuren uittrekken voor wiskunde en taal lijkt voor de katholieke koepel dan ook geen valabele oplossing, integendeel: het zou het probleem enkel verplaatsen.
Van basisonderwijs naar masterproef?
In de voorstellen die nu circuleren, zouden sommige leerlingen op het einde van het zesde leerjaar al leerstof krijgen die eigenlijk pas in het eerste of zelfs tweede middelbaar thuishoort. Demirs hervorming schuift de cognitieve lat op zonder rekening te houden met het ritme van kinderen – en met het curriculum dat in het secundair amper is opgedroogd.
Resultaat: leerstof zou dubbel gegeven worden, of erger, in het secundair simpelweg genegeerd worden omdat ze 'al gekend' zou zijn. Wie ooit een puber heeft proberen uitleggen dat herhaling ook leerwinst betekent, weet hoe dat afloopt.
Onderwijsvrijheid onder druk
De koepel wijst ook op een principiëler bezwaar. Als scholen alle opgelegde doelen moeten afvinken binnen een strak leerplan, dan verdwijnt de ruimte om zelf pedagogische accenten te leggen. In 2021 trok Katholiek Onderwijs Vlaanderen al succesvol naar het Grondwettelijk Hof tegen de eindtermen voor het secundair. De onderwijsvrijheid werd toen erkend als een grondwettelijk principe. Het huidige verzet is geen juridische oorlogsverklaring, maar het is wél een hernieuwde waarschuwing: blijf af van onze autonomie.
Ook kritiek op Frans, wetenschap en onderbouw
Het is trouwens niet alleen de overvloed aan wiskunde en Nederlands die tegen de borst stoot. Eerder wezen academici al op slordige of twijfelachtige wetenschappelijke onderbouwingen in de nieuwe doelen, onder meer bij wiskunde en de component ‘wetenschap en techniek’. Katholiek Onderwijs Vlaanderen voegt daaraan stilletjes ook het vak Frans toe: sommige voorgestelde leerdoelen zouden pedagogisch ondoordacht zijn en voorbijgaan aan ontwikkelingsfasen van kinderen.
Demir relativeert, maar houdt koers aan
Demir lijkt de storm voorlopig te willen bedaren. Ze erkent de kritiek en benadrukt dat er overlegmomenten plaatsvinden, die volgens haar al “eerste oplossingen” opleverden. De minister herhaalt ook dat scholen 30 procent van hun onderwijstijd vrij mogen blijven invullen – “zoals afgesproken”. De uitrol van de nieuwe minimumdoelen zou bovendien gefaseerd gebeuren, zodat niemand overbelast wordt.
Maar het fundamentele conflict blijft onderhuids smeulen: hoe combineer je kennisrijk onderwijs met onderwijsvrijheid? Demir wil een stevig leerfundament. Het katholiek onderwijs wil speelruimte. Wat voor de ene 'een stevige basis' is, voelt voor de andere als een knellende dwangbuis.
(Foto: Philip Reynaers/Photo News)